Jehovah's getuigen en bloedtransfusie
| |
InleidingIn Ontwaakt!, één van de twee lijfbladen van de Jehovah's Getuigen, stond in de zomer van 1990 het volgende bericht: "Op 13 april 1990 veroordeelde een rechtbankjury in San Francisco (...) een vooraanstaand niertransplantatiechirurg tot betaling van $500.000. De eisers waren Jehovah's Getuigen van wie de minderjarige zoon - tegen hun wil - een bloedtransfusie was gegeven na de geslaagde transplantatie van een nier van zijn vader" [1].
Een om twee redenen opmerkelijke mededeling. Vooropgesteld dat de uitspraak van de jury representatief is voor de openbare (Amerikaanse) mening, valt het meest in het oog dat de opinie ten opzichte van het bloedtransfusieverbod van de Jehovah's Getuigen klaarblijkelijk is gewijzigd. Was een weigering van deze medische ingreep tot voor kort - en zeker als het ging om een klein kind - aanleiding tot grote publieke verontwaardiging, anno de jaren negentig schijnt het tij rondom de commotie over één van de meest omstreden religieuze leerstellingen te keren.
In de tweede plaats blijkt dat de ideologische opvattingen van het Wachttorengenootschap aan fluctuaties onderhevig zijn. Zowel voor notoire tegenstanders als voor fervente aanhangers van het Genootschap is dit niets nieuws. Immers, nog geen 25 jaar geleden was in de kolommen van De Wachttoren, het zustertijdschrift van Ontwaakt!, te lezen dat het afstaan van een orgaan een overtreding was van het bijbelboek Leviticus 19:28 en nog een paar Oudtestamentische voorschriften. Als gelovige diende men "onnodige verminking (...) van het lichaam te vermijden. Aldus zal hij een zuiver geweten voor God kunnen hebben".[2] Weliswaar vaardigde het Genootschap geen regelrecht verbod uit op deze handelwijze - immers orgaantransplantatie bestond niet in de Bijbelse tijden, dus was er ook niets over opgetekend, zo was het argument - maar uit de geciteerde artikelen blijkt dat men deze ingreep afwees. Dat wordt twee jaar later nog versterkt door een lovend relaas over het standpunt van een jongeman van wie een, overigens gezonde, nier verwijderd moet worden: "De dag vóór de operatie kwam het hoofd van het niertransplantatieteam binnen en vroeg of ik de nier zou willen afstaan aan een jonge patiënt bij wie beide nieren niet meer goed functioneerden. (...) De arts wilde graag mijn nier hebben, maar ik legde hem uit dat ik, als één van Jehovah's getuigen, mij moest houden aan wat Gods wet ten aanzien van een dergelijke gelegenheid te kennen geeft. (...) Later op die dag lichtten wij hem in over ons bijbelse standpunt met betrekking tot menselijk vlees en het gebruik ervan (...). Hij vroeg of ik wel een goed geweten kon hebben nadat ik zijn jonge patiënt mijn nier had ontzegd. In antwoord hierop zette ik uiteen dat het niet aan mij stond mijn nier weg te geven".[3]
Een onderzoek uit 1976 onder 30 Getuigen bevestigt hun afkeuring van transplantatie: allen gaven aan dat het tegen God's wil is. [4] Dan verschijnt in De Wachttoren van 15 juni 1980 een kort artikel waarin - overigens zonder verwijzing naar eerdere publicaties - transplantatie volledig aan het geweten van de individuele Getuige wordt overgelaten. Vanaf dat moment neemt het Genootschap in deze kwestie een neutraal standpunt in. Een dergelijke doctrinaire instabiliteit is koren op de molen voor de critici van het Genootschap. Zij beschouwen dit als een bevestiging van het feit dat de beweging wordt geleid door een manipulerende gerontocratie, in plaats van, zoals het Genootschap beweert, Jehovah, wiens wetten "volmaakt, onveranderlijk, te allen tijde en onder alle omstandigheden van toepassing zijn".[5] De geijkte tegenstrategie van het Genootschap en de Getuigen om doctrinaire wijzigingen te legitimeren is het hanteren van Spreuken 4:18: "Maar het pad van de rechtvaardigen is als het glanzend licht, dat steeds helderder wordt". Volgens het Genootschap geeft de Bijbel dus zélf al aan dat tegenstrijdigheden of onduidelijkheid kunnen voorkomen, maar dat dat meer een kwestie is van menselijke interpretatie en kennis dan van inherente onjuistheden. En omdat we steeds meer inzichten krijgen in de betekenis van de geschriften zullen ook deze onvolmaaktheden ooit tot het verleden behoren. Aldus immuniseert men zich tegen iedere vorm van doctrinaire inconsistentie. In de ogen van het Genootschap volgen zowel de vader uit het eerste citaat als de jongeman uit het tweede de bijbelse voorschriften.
Maar waarom dan die wijziging van de transplantatiedoctrine en waarom zo vastgehouden aan het in 1945 ingevoerde transfusieverbod? Immers, met dezelfde argumentatie die het Genootschap heeft gehanteerd voor het niet-afwijzen van transplantaties - "het was niet bekend in bijbelse tijden" - zou men het bloedtaboe kunnen opheffen. Anderzijds is er weinig exegetische verbeeldingskracht voor nodig om van een orgaantransplantatie een overtreding van schriftuurlijke regels te maken, hetgeen het Genootschap aanvankelijk dan ook liet doorschemeren. Waarom heeft men uit het grote potentieel van bijbelse onthoudingsvoorschriften juist dat blóed gekozen?
In dit artikel poog ik een zo algemeen mogelijk overzicht te geven van de doctrine en de consequenties. Diverse aspecten komen aan de orde: de medische en de ethische problematiek, het ontstaan en de ontwikkeling van de doctrine, reacties van buitenwereld en van de Getuigen, en, als antwoord op de laatste vraag, een mogelijke verklaring. Indien een antropoloog (of socioloog) een religieus verschijnsel probeert te ontrafelen, zal hij doorgaans niet louter en alleen de godsdienst als verklarende factor bij de analyse betrekken. Van even groot - zo niet groter - belang zijn ecologische, economische, verwantschappelijke, politieke en historische aspecten van de omgeving waar het verbod voorkomt. In dit specifieke geval betekent dat een excursie naar de sociaal-historische context waarin de regelgeving is ontstaan.
Het medische probleemHet klinkt wellicht cynisch, maar de relatie AIDS - bloedtransfusie lijkt de gunstige omgeving te hebben gecreëerd om de in het begin genoemde rechtszaak aan te spannen. Hoewel voor de Getuigen de interpretatie van de Bijbelse voorschriften aangaande het gebruik van bloed het fundament vormt om zich van een transfusie te onthouden, voelen zij zich sinds de tweede helft van de jaren tachtig krachtig gesteund door seculaire redenen: in hun ogen blijkt AIDS een bevestiging van de juistheid van het verbod. Niet vanuit het argument, wat veel buitenstaanders denken, als de wrake Gods voor immoreel gedrag, maar vanuit de redenering dat als God iets verboden heeft, dan is dat zinvol. Sinds het geconstateerde macabere verband tussen AIDS en bloedtransfusie is in de Genootschapsliteratuur overvloedig verwezen naar de gevaren van het gebruik van bloedproducten. Speciale uitgaven van Ontwaakt! zijn aan het thema gewijd en het is duidelijk dat de schrijvers de geneeskundige vakliteratuur nauwlettend in het oog houden inzake de nadelige gevolgen van transfusies. Het New Yorkse hoofdkwartier van het Wachttorengenootschap beschikt dan ook over een speciale afdeling, de zogenaamde Ziekenhuisinformatiedienst, die toegang heeft tot ruim 3600 medische tijdschriften. Veelvuldig worden medici, die zich kritisch ten opzichte van bloedtransfusie opstellen, geciteerd. Tijdens de huis-aan-huis prediking voelen de Getuigen zich gesterkt indien het thema bloedtransfusie ter sprake komt.
"Het AIDS-virus heeft ons niet alleen een lesje geleerd over 'veilige seks', maar ook over 'veilig bloed', aldus de opening van een artikel in De Tijd van 20 maart 1987. Volgens cijfers van de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid zijn in Nederland in de periode 1982 -juni 1990 24 gevallen geconstateerd van HIV-besmetting als rechtstreeks gevolg van een bloedtransfusie, terwijl 20 hemofilie-patiënten geïnfecteerd zijn vanwege het gebruik van besmette bloedbestanddelen; dit betekent dat 3.3% van de sero-positieven de ziekte heeft opgelopen als gevolg van bloedtoediening of het gebruik van bloedpreparaten. In het voorjaar van 1990 werd bekend dat de AIDS-problematiek in Roemenië een ongekende omvang had aangenomen vanwege de ongebreidelde toepassing van bloedtransfusies. Ten tijde van het Ceaucescu-regime had men deze therapie met name op kinderen toegepast ter aanvulling van tekorten aan elementaire voedingsstoffen.
Afgezien van de AIDS-problematiek hebben meer recente gebeurtenissen aangetoond dat in de eens zo gevierde bloedtransfusie enigszins de klad is gekomen. Drie jaar geleden werd het hepatitis-C virus ontdekt, veroorzaker van leverontstekingen en overgebracht via transfusies. Weliswaar schatte men dat slechts 0,7% van de donoren met dit virus besmet was. Het ziet er naar uit dat de bloedbanken pas in de loop van dit jaar het bloed daarop zullen testen.[6] In maart 1988 ontstond de nodige beroering over een hepatitis-B besmetting bij vrouwen die in het Rotterdamse Dijkzigt-ziekenhuis als gevolg van een in-vitro-fertilisatie. De oorzaak was besmet bloed van derden dat deel uitmaakt van de kweekvloeistof. In 1983 promoveerde de Amerikaanse anesthesist Ron Lapin (geen Jehovah's Getuige) aan de Erasmusuniversiteit op een proefschrift, waarin hij verklaarde dat zeker 85% van alle bloedtransfusies overbodig is en vanwege de grote risico's dan ook achterwege dient te blijven. Hoewel het nog niet keihard is bewezen, is er een mogelijk verband tussen het toedienen van bloed tijdens kankeroperaties en een verdere uitzaaiing van de tumor, aldus een dissertatie van Dr. Singh, eveneens van de Rotterdamse universiteit, uit 1988. Een jaar eerder had een chirurg deze uitspraak ook al gedaan en van dezelfde strekking is een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. De hypothese is, dat "lichaamsvreemd" bloed het afweersysteem van de ontvanger ondermijnt. Geadviseerd wordt het eigen bloed van de patiënt te gebruiken, dat geruime tijd voor de ingreep afgenomen dient te worden. Deze autologe bloedtransfusie blijkt in Nederland overigens al in opmars te zijn.[7]
Gelet op de huidige statistieken en de besmettingskans in Nederland is de hoeveelheid aandacht die het Genootschap aan het onderwerp besteedt wellicht disproportioneel, maar men mag niet uit het oog verliezen dat deze religieuze organisatie vanuit de Verenigde Staten wordt geleid. Zo blijkt dat van de Amerikaanse hemofiliepatiënten 80 à 90% is besmet door het HIV-virus - in Nederland bedraagt dat cijfer 20% - hetgeen wellicht verklaard kan worden door het commerciële karakter van de Amerikaanse bloedbanken: de donor krijgt geld voor zijn bloed. Deze handelwijze is vanzelfsprekend aantrekkelijk voor de economisch zwakken in de samenleving. In zijn schets van de levensstijl van marginale groepen zoals zwervers en verslaafden in een grote Amerikaanse stad, beschrijft de socioloog Spradley dat de bloedbank voor hen een belangrijke inkomstenbron vormt. Volgens één van zijn informanten is het gebruikelijk om alvorens bloed af te staan iets alcoholhoudends te drinken "opdat de zenuwen tot rust komen". Mocht men niet over de middelen beschikken om dit aan te schaffen, dan is de bloedbank doorgaans welwillend genoeg om een voorschot te verstrekken.[8] Het lijkt erop dat de combinatie van deze specifieke donorpopulatie en de testprocedures van het bloed in de "pré-AIDS" periode voor een groot gedeelte verantwoordelijk is voor de Amerikaanse cijfers.
In de periode dat AIDS nog niet bekend was vonden dergelijke en andere praktijken van de Amerikaanse bloedbanken dan ook regelmatig hun weg naar de lectuur van het Genootschap. Daarnaast vermeldde men de bekende gevaren van transfusie zoals toediening van een verkeerde bloedgroep en de kans op het oplopen van hepatitis, malaria en syfilis. Statistisch waren deze infectiemogelijkheden uiterst gering, zeker als men dat stelt tegenover het "vrije gift"-karakter van de bloedtransfusie in de meeste West-Europese landen: altruïsme en het mogelijk redden van een mensenleven wegen dan ruimschoots op tegen een sporadisch voorkomende fatale afloop.
Hoewel er nog geen 100% betrouwbaar alternatief is voor een noodzakelijke bloedtransfusie, heeft de ontwikkeling van de medische technologie en verbetering van operatietechnieken de gevaren voor hen die bloed weigeren, verminderd. Hoeveel Getuigen er als rechtstreeks gevolg van het weigeren van een transfusie zijn gestorven, is nauwelijks te bepalen. Het blad Investigator, uitgegeven door ex-Getuigen in Australië, berekende via extrapolatie op grond van het aantal gevallen in Australië in de periode 1965-1985 - dat waren er 4 - dat dit op wereldwijd niveau in de orde van 2800 sterfgevallen zou zijn. Gelet op de geringe aantallen - 1 meer of minder geeft een enorm verschil op wereldschaal - en de vraag of de Australische cijfers representatief zijn, een wellicht aanvechtbare methode. En wat de juiste cijfers ook mogen zijn, ze zullen waarschijnlijk drastisch verminderen. Dat is niet in de laatste plaats het gevolg van de "proefkonijn"-functie van veel Jehovah's Getuigen. De omvang van medische vakliteratuur onder het motto "hoe-doen-we-het-zonder-bloed" is dan ook enorm.
Het ethische probleemHet fundamentele ethische probleem van de bloedtransfusieweigering spitst zich toe op het conflict tussen het zelfbeschikkingsrecht over het eigen lichaam en de medische beroepscode. Of, zoals de anesthesist Smalhout dat tijdens een interview met de schrijver pregnant uitdrukte: "Deze vorm van rituele zelfdoding is de keuze van de Jehovah's Getuigen, maar ze doen het onder ónze neus". Als anesthesist is Smalhout tijdens een operatie verantwoordelijk voor de bewaking van de vitale lichaamsfuncties. Hoewel hij in de twaalfde stelling van zijn proefschrift vermeldt het onjuist te vinden een Jehovah's Getuige te laten sterven door hem of haar een transfusie te onthouden, heeft hij toch een patiënt op deze wijze verloren. Smalhout daarover: "Voor mijn hele team was dat een geweldige morele last, daar zijn ze een paar dagen van slag van geweest. Ik zal mezelf en mijn staf deze ellende niet nog een keer aandoen". Het lezen van een gedetailleerd ooggetuigenverslag van het stervensproces van een Getuige als gevolg van bloedweigering en de daaruit voortvloeiende zeer intensieve, doch vruchteloze pogingen van een artsenteam om de patiënt te redden, maken Smalhout's overwegingen alleszins begrijpelijk.[9]
Een dergelijk geval zou consequenties kunnen hebben als we Dupuis, hoogleraar medische ethiek in Leiden, beluisteren. Volgens De Volkskrant van 2 november '90 verklaarde zij dat "een extreem en zeer duidelijk geval van eigen schuld als criterium gebruikt mag worden bij het al of niet toewijzen van een bed op de intensive care-afdeling". Als voorbeeld gaf ze de oude dame met ernstige hartklachten voor wie een operatie urgent is en een zwaar gewonde jonge man, die in dronken toestand met zijn auto tegen een boom is gereden. De dame zou dan het eerste recht op het bed moeten hebben. De daaruit voortvloeiende vraag is, of een bloedweigerende Jehovah's Getuige in zo'n geval te vergelijken is met de dronken automobilist.
Sinds de jaren tachtig kan worden geconcludeerd dat de medische wereld doorgaans respect heeft voor de overtuiging van de patiënt, hoewel dit volgens Amerikaans onderzoek afhankelijk is van de situatie. Vooropgesteld dat er geen sprake zou zijn van een gerechtelijke vervolging, bleek onder meer dat 80% van de ondervraagde artsen ondanks weigering van de ouders toch een wisseltransfusie zou uitvoeren op een pas geboren baby, terwijl maar 19% bloed zou toedienen aan een 45-jarige, in volle bewustzijn verkerende vrijgezel.[10] Het zou interessant zijn de reactie van de medische wereld in Nederland op de in het begin genoemde rechtszaak te inventariseren, alleen al omdat systematische gegevens over de houding van Nederlandse artsen jegens de bloedtransfusiekwestie te enen male ontbreken. In de eerste publicatie over de bloedkwestie in een Nederlands vakblad in 1962 merkt de schrijver op dat het heimelijk toedienen van bloed, ondanks de belofte het niet te doen, een "alleszins laakbare handelwijze" is. Eveneens heeft hij ernstige bezwaren tegen de juridische mogelijkheid van onttrekking van een minderjarige aan de ouderlijke macht, zodat transfusie kan plaatsvinden.[11] Een voor die periode wellicht progressieve houding, want het bleek dat niet iedereen het daarmee eens was; naar aanleiding van een uitgebreide discussie in hetzelfde tijdschrift in mei 1967 reageerde de psychiater Van Meurs "wat niet weet, dat niet deert", en "de patiënt is een gevaar voor zichzelf en voor anderen", terwijl hij tevens stelde dat "de afgifte van een krankzinnigheidsverklaring voor Jehovah's Getuigen onelegant zou zijn, (maar) er wel gronden zijn om psychische aberratie bij de patiënt aan te nemen". Ook de behandelend geneesheer moest oppassen, immers een "te sterke identificatie met zijn patiënt zou kunnen leiden tot een geïnduceerde denkstoornis bij de arts".[12]
In 1969 verscheen een uitgebreid rapport over de materie van de Protestants Christelijke Artsen Organisatie en de Katholieke Artsen Vereniging. De uitgebreide theologische inleiding (de verzuiling taande en de oecumene groeide), waarin niets werd heel gelaten van de exegese van de transfusiedoctrine - Ds.H.J.Spier, bekend door zijn gefulmineer tegen het Genootschap, was één van de auteurs van het rapport - concludeerde dat "het gebod om het leven van de mens te eerbiedigen en te beschermen prevaleert volgens de intentie van de bijbel boven alle rituele en kultische voorschriften". In het tweede gedeelte, waarin de medische en ethische aspecten worden belicht, werd onder meer beweerd, dat "zonder bloedtransfusies geen hart- en longoperaties kunnen worden verricht - de befaamde Amerikaanse hartchirurg Cooley zou deze stelling enkele jaren later ontzenuwen - en dat "noch uit medische en medisch-ethische overwegingen er houdbare bezwaren [zijn] aan te voeren tegen het transfunderen van bloed". Echter, deze fundamentele uitgangspunten leidden niet tot consequenties voor de handelwijze van de medicus: na 30 pagina's tekst wordt min of meer geconcludeerd dat de arts naar eigen inzicht dient te handelen.[13]
Anno 1991 blijkt dat het standpunt zoals ruim 20 jaar geleden door de eerder genoemde vertegenwoordiger van de geestelijke volksgezondheid werd ingenomen, weinig navolging heeft gevonden. De geneeskundige inspecties, die volgens een bericht in Medisch Contact regelmatig door artsen worden benaderd met de vraag hoe te handelen in geval van bloedweigering, adviseren medici naar aanleiding van de uitspraak van het Medisch Tuchtcollege in Amsterdam om de grootst mogelijke zekerheid te verkrijgen omtrent de vrijwillige beslissing van de patiënt. De wilsuiting van de patiënt dient daarbij zeer zwaar te wegen.[14] Als men de richtlijnen van enkele ziekenhuizen voor het medisch personeel ten aanzien van Jehovah's Getuigen als indicatief beschouwt voor de houding jegens bloedtransfusieweigering, dan blijkt daaruit dat men over het algemeen rekening houdt met de religieuze bezwaren van de patiënt. Dat wil niet zeggen dat er sprake is van een uniform beleid. Zo is er verschil van mening over het belang dat de instellingen hechten aan de zogenaamde "Geen Bloed"-verklaring die Jehovah's Getuigen bij zich dragen. Mocht men bijvoorbeeld in bewusteloze toestand terecht komen in het Leidse Academische Ziekenhuis of het St.Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein, dan zal men deze beschikking aanvaarden. Het Academisch Ziekenhuis van de VU in Amsterdam en het Utrechtse Oudenrijn-Ziekenhuis daarentegen, accepteren dit document niet. Dit laatste is opmerkelijk, gelet op de eerder genoemde uitspraak van het Amsterdamse Medisch Tuchtcollege. Daarin werd namelijk ten aanzien van het codicil gesteld: "Het ligt op de weg van de patiënt of van degeen die hem vertegenwoordigt er voor te zorgen dat de behandelend arts op de hoogte wordt gesteld van het feit dat de patiënt ook in een levensbedreigende situatie geen bloed toegediend wil krijgen. Dit impliceert dat een patiënt een codicil bij zich moet dragen en dat, indien de patiënt niet meer tot spreken in staat is, degene die hem vertegenwoordigt, op de aanwezigheid van het codicil moet wijzen. (Medisch Tuchtcollege A'dam, 8531 B, p.4)"
In het onderhavige geval had de echtgenote van de patiënt - het slachtoffer was buiten bewustzijn als gevolg van een ongeval - de behandelend arts weliswaar medegedeeld dat bloed niet geaccepteerd zou worden, maar zij had nagelaten op het codicil te wijzen. Opmerkelijk is tevens, dat het Tuchtcollege het "betreurde, dat (de behandelend arts) niet eigener beweging naar een codicil heeft geïnformeerd". Dat laatste is dan wellicht een indicatie van een veranderende houding jegens bloedweigeraars, maar in contrast daarmee staat een zinsnede in de richtlijnen van het Utrechtse Oudenrijn-Ziekenhuis. Hoewel deze instelling de rechten van de patiënt respecteert - "de wil van de patiënt is wet" - bestaat er onder het motto "liever leugenaar dan moordenaar" (dit is een letterlijk citaat) - de optie "eventueel stilzwijgend en in strijd met een gegeven belofte" toch bloed toe te dienen. Unaniem is men van mening dat in het geval van minderjarigen de Officier van Justitie ingeschakeld dient te worden, zodat op grond van "grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding" een tijdelijke toevertrouwing aan de Raad van Kinderbescherming plaatsvindt, opdat behandeling alsnog mogelijk is. In 1986 zijn er vijftien van deze gevallen voorgekomen.[15] Deze stap wordt met name genomen in het geval men een wisseltransfusie bij een pas geboren baby nodig acht. Begin 1986 speelde een dergelijk geval in Den Haag. Reeds vóórdat de geboorte had plaatsgevonden, had de Officier van Justitie medegedeeld het kind direct na de bevalling onder staatstoezicht te plaatsen. De behandelend artsen voorspelden dat een wisseltransfusie waarschijnlijk nodig zou zijn. Zover zou het niet komen; het echtpaar raadpleegde een ander ziekenhuis en de ingreep bleek uiteindelijk niet nodig. Het geval haalde een paar kranten en een publicatie in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Naast een schets van de medische aspecten, betwijfelden de auteurs of de voorbarige dreiging met de ondertoezichtstelling wel zo ethisch verantwoord was.
Een dergelijk juridisch ingrijpen weerspiegelt de botsing tussen twee waardesystemen. De Getuigen zijn ervan overtuigd dat het accepteren van bloed de kansen op een opstanding in het spoedig te verwachten paradijs aanzienlijk zal verminderen: men heeft dus het beste voor met zichzelf of zijn of haar dierbare. Voor kortstondige overgevoeligheid was geen plaats, want, zo stond onomwonden in De Wachttoren: "Iemand zou toch stellig nooit de hoop van zijn eigen kind op eeuwig leven in gevaar brengen door met bijbelse beginselen of als gevolg van sentimentaliteit te schipperen! (...) Wie grotere genegenheid heeft voor zoon of dochter is mij niet waardig (...) wij proberen niet onszelf of onze geliefden een paar dagen langer in leven te houden door Gods wet te overtreden, alsof dit leven alles is wat er is.".[16]
Hoewel men een dergelijke toonzetting anno 1991 in de Genootschapslectuur niet meer zal tegenkomen, is de essentie van de boodschap duidelijk. Het verblijf in dit aardse tranendal is nu eenmaal een onaangename, maar noodzakelijke fase die voorafgaat aan het paradijselijke millennium. Deze visie op de dood suggereert tevens dat men het stervensproces - al dan niet als gevolg van de bloedafwijzing - gemakkelijker zou kunnen doorstaan. Omdat systematische gegevens hierover ontbreken is het niet mogelijk om hier een definitieve uitspraak over te doen, hoewel ik regelmatig van met name oudere Getuigen hoor dat zij niet tegen het sterven opzien. Daarentegen bleek uit een recente publicatie in een Amerikaans medisch tijdschrift dat een terminale Jehovah's Getuige patiënte zwaar gebukt ging onder hevige angstgevoelens en depressies, mede als gevolg van haar weigering bloed te accepteren.[17]
In 1988 is het Genootschap begonnen met een, overigens geruisloze, campagne om onder ziekenhuisdirecties meer begrip te kweken voor de transfusieweigering. In eerste instantie heeft men gesprekken gevoerd met de medische staven. Deze ziekenhuiscontactcomités, bestaande uit speciaal daarvoor opgeleide ouderlingen, hebben een duidelijke brugfunctie in deze potentiële conflictsituatie tussen dokter en patiënt. Zij kunnen desgewenst de artsen voorzien van medische literatuur, waarin alternatieve behandelingen zijn vermeld en beschikken tevens over een lijst van medici die genegen zijn zonder transfusie te behandelen. In 1989 heeft het Genootschap een schriftelijke enquête onder alle Nederlandse specialisten doen uitgaan, waarin gevraagd werd of men bereid was zonder bloed of bloedproducten te behandelen. De respons was volgens het Genootschap zeer matig, maar degenen die reageerden stonden er voor het merendeel positief tegenover.
Of een Getuige ook op het cruciale moment bloed zal weigeren, in het bijzonder als het gaat om zijn of haar kind, is een zaak waarover sommigen niet geheel zeker zijn. "Alleen op dàt moment zal blijken of ik werkelijk op Jehovah vertrouw", is een standaardreactie van de twijfelaars. Sommigen denken met afgrijzen terug aan het moment dat de Raad voor de Kinderbescherming naar aanleiding van een telefoontje van een bezorgde arts, zich over hun kind ontfermde; anderen vertrouwden me toe dat ze zich opgelucht voelden dat deze uiterste verantwoordelijkheid hen werd ontnomen. Een vaak gehoorde opmerking is dat de ouders het kind na een bloedtoediening die "onder toezichtstelling" plaatsvond, niet meer zouden accepteren. Getuigen keuren een dergelijke handelwijze sterk af. Het enige geval dat ik ken stond in juli 1976 beschreven in een paar kranten en handelde over een 10-jarige Oostenrijkse jongen, die na een dergelijke behandeling door zijn ouders werd verstoten.
Volgens dissidente bronnen accepteren Getuigen heimelijk transfusies, hetgeen mij door medici ook werd bevestigd, maar de omvang lijkt uiterst beperkt. Zo verscheen op 18 april 1987 op de ANP-telex het bericht dat als gevolg van een busongeval op Curaçao een aantal Jehovah's Getuigen zo ernstig gewond was geraakt, dat een lokaal radiostation een oproep voor bloeddonoren had uitgezonden. De plaatselijke correspondente van het Nederlands Dagblad - niet een krant die het Genootschap erg vriendelijk gezind is - dook in de zaak en wist te melden dat geen der Getuigen bloed had geweigerd.[18]
In 1977 schreef de algemeen directeur van het Utrechtse Oudenrijn Ziekenhuis in Medisch Contact dat een Jehovah's Getuige af zou zien van juridische stappen of het indienen van een klacht bij een medisch tuchtcollege, indien hem of haar buiten medeweten een transfusie zou zijn toegediend - bijvoorbeeld in het geval dat de patiënt het bewustzijn heeft verloren. Immers, zo vervolgt de auteur, "juist een Jehovah's Getuige zal geen kwaad met kwaad vergelden".[19] Weliswaar staan Jehovah's Getuigen doorgaans niet bekend als een oorlogszuchtige horde, maar Rom. 12:17 is een versregel die niet erg hoog staat in de leerstellige hiërarchie van het Genootschap. Tussen de talloze bijbelverwijzingen in de Genootschapslectuur is deze spreuk nauwelijks te vinden en bij de huis-aan-huis prediking zal hij zelden geciteerd worden. Maar afgezien van deze schoonheidsfout - waar ook het Genootschap enkele weken later via een ingezonden brief op attendeerde, zij het met andere argumenten dan bovenstaande - was het artikel de eerste doorwrochte beschrijving van de problematiek. Uiteenlopende belanghebbendenzoals een Getuige-arts en de directeur van een bloedbank complimenteerden de schrijver.[20] De auteur zou zich echter wel hebben bedacht, indien hij op de hoogte was geweest van een rechtszaak, die 10 jaar geleden in Canada speelde. Een door een aanrijding bewusteloos geraakte vrouw, die een "Geen-Bloed"-verklaring bij zich droeg, kreeg tóch een transfusie toegediend. Ze klaagde de arts en het ziekenhuis aan, waarna de rechtbank haar $20,000 toekende.[21]
De transfusiekwestie maakt Jehovah's Getuigen ongeschikt om kinderen te adopteren. Dat is althans de mening van de adoptiedeskundige Hoksbergen, hoogleraar aan de Utrechtse Universiteit. Weliswaar gaf hij als verklaring dat ze tegen inentingen waren, maar waarschijnlijk verwarde hij het Genootschap met orthodoxe protestanten of strenge antroposofen; voor sommigen blijkt fundamentalistisch Christendom een homogeen geheel met identieke opvattingen.[22] Ook voor de Centrale van Pleegzorg, een organisatie die bemiddelt in adoptie, zijn Jehovah's Getuigen ongeschikt. Juridische precedenten zijn er in ieder geval: een tot in de Raad van State uitgevochten verzoek voor adoptie door een Getuigenechtpaar werd in 1981 afgewezen. Overigens, zelfs toen de bloedkwestie nog nauwelijks speelde was het al moeilijk: in 1946 haalde Pro Juventute een reeds geplaatst pleegkind alsnog bij een Getuigengezin weg, omdat men het jongetje meenam naar de bijeenkomsten.[23]
Als we de Amerikaanse filosofe Macklin mogen geloven, dan hebben de Nederlanders, in vergelijking met haar landgenoten, te veel respect voor de medische stand.[24] Of dit een oorzaak is van het feit dat een gelijksoortige rechtszaak als die ik in het begin vermeldde of de bovenstaande affaire in Canada, hier nog niet is voorgekomen, is niet duidelijk. Een eenvoudige verklaring kan zijn, dat er (nog) geen enkele aanleiding voor is geweest. Anderzijds, het aantal heimelijk toegediende transfusies is per definitie onbekend. Wellicht dat de combinatie van ontzag voor de arts, de moeizame procedures van het medisch tuchtrecht en de terughoudendheid om iemand voor de rechter te dagen -althans vergeleken met de Verenigde Staten - daar debet aan zijn. En niet een bijbelcitaat, zoals de Utrechtse ziekenhuisdirecteur in Medisch Contact poneerde. Echter, in een snel veranderende medische en juridische cultuur, waarin zelfbeschikkingsrecht hoe langer hoe meer een primaire rol gaat spelen, met op de achtergrond een geneeskundige ingreep die meer risico's met zich meebrengt dan aanvankelijk kon worden vermoed, zullen ook Jehovah's Getuigen van dit recht gebruik maken.
Oorsprong en ontwikkelingHet verbod op bloedtransfusie werd door het Genootschap in de Engelstalige Wachttoren van 1 juli 1945 afgekondigd. Aan de hand van Genesis 9:3,4, Leviticus 17:10-12 en Handelingen 15:28 en 29 werd beargumenteerd dat het eten van bloed vanaf dat moment indruiste tegen Jehovah's voorschriften. Van belang in de exegese is het idee van het gebruik van bloed als voedsel. En bloedtransfusie wordt als zodanig beschouwd. Bloedbestanddelen in medicijnen, dus als geneesmiddel, worden toegestaan, althans dit laat men over aan het geweten van de individuele gelovige. Voor het geval dat men aan de deur in discussie raakt met een Getuige over het feit dat eten van bloed iets anders is dan een transfusie, dan zal deze tegenwerping hoogstwaarschijnlijk gepareerd worden met het citeren van Handelingen 15:28,29 waarin staat dat men zich dient te onthouden van bloed: de consumptiewijze is dus irrelevant. Om deze bewijsvoering kracht bij te zetten zal de bezoeker hoogstwaarschijnlijk gebruik maken van het in Jehovah's Getuigen kringen zo geliefde gebruik van de illustratie: "Neem als vergelijking eens een man die van de dokter te horen krijgt dat hij zich van alcohol moet onthouden. Zou hij zich daaraan onthouden als hij geen alcohol zou drinken maar het rechtstreeks in zijn aderen liet spuiten?".[25] Hoewel de Genootschapslectuur er nauwelijks over spreekt, is ook bloeddonatie verboden. De redenering is als volgt: "The blood is in the soul (Deut.12:23). We cannot drain from our body part of that blood, which represents our life, and still love God with our whole soul, because we have taken away part of "our soul - our blood -" and given it to someone else (...) Love of neighbor is the second commandment and is limited by the first one, which requires complete love of God.".[26]
Voordat het Genootschap het bloedtransfusieverbod uitvaardigde, had men bezwaar tegen een andere medische handeling, namelijk vaccineren. Weliswaar heeft men deze afkeer nooit getransformeerd in een officiële doctrine, maar de tegenwerpingen waren overduidelijk. Met name in de jaren '30 fulmineerde het tijdschrift The Golden Age (één van de voorlopers van Ontwaakt!) tegen vaccinaties: "Mensen die nadenken krijgen liever pokken dan dat ze zich er tegen laten vaccineren, immers dat laatste is het zaaigoed voor syphilis, kanker, eczeem, belroos (erysipelas), scrofulose, tering, zelfs melaatsheid en vele andere afschuwelijke aandoeningen. Daarom is vaccinatie een misdaad, een schandaal en een waandenkbeeld.".[27]
De behandeling werd verder omschreven als "bezoedelend", "duivels" en "van invloed op de misdadige neigingen van de huidige generatie", uitdrukkingen die overigens in de 19e eeuw tevens werden gebezigd door tegenstanders van verplichte vaccinatie in Engeland en Nederland.[28] Was het niet zozeer de vaccinatie an sich die op veel verzet stuitte, wellicht van nog groter belang was het verplichte karakter ervan. De soms uiterst cynisch gestelde artikelen gaan dan met name tekeer tegen de medische beroepsgroep, de farmaceutische industrie en de staat, die gedrieën de argeloze burger dwingen zich te laten vaccineren. Zo vergeleek The Golden Age van 4 feb. 1931 verplichte inentingen van kinderen met de situatie van slavernij: "almost as bad as the colored people were in, when their children were put upon the block and sold".
Het is twijfelachtig of deze bezwaren ondersteund werden door de meerderheid van de toenmalige aanhang. In één van de eerste studies over Jehovah's Getuigen, daterend uit de jaren '40, wordt opgemerkt dat de meesten gebruik maakten van medische voorzieningen. Een andere aanwijzing waren de ongeveer 4300 Amerikaanse Getuigen die tijdens de Tweede Wereldoorlog als gewetensbezwaarden in de gevangenis zaten. Slechts weinigen onder hen weigerden de vaccinaties, die nu eenmaal verplicht waren voor alle gedetineerden. Overigens is het interessant hoe Macmillan, één van de auteurs die dit voorval beschrijft en op dat moment één van de leidende figuren van het Genootschap, de argumentatie voor de weigering van de gevangenen weergaf. Volgens hem beschouwden "onze jongens" vaccinaties hetzelfde als bloedtransfusies, dus was dat niet acceptabel. Omdat de bloeddoctrine op dat moment nog niet was uitgevaardigd, is zijn argumentatie wellicht een voorbeeld van de psychologische verdringing van inmiddels achterhaalde of niet populaire leerstellingen: een mechanisme dat niet ongewoon is onder Jehovah's Getuigen en aanhangers van vergelijkbare religieuze bewegingen.[29] Daarnaast is het de vraag of de afkeer van vaccinaties niet veeleer persoonlijke tirades waren van Woodworth, de hoofdredacteur van The Golden Age, in plaats van een gedeeld standpunt van het voltallige leiderschap.[30] Na 1945 verdwijnt de animositeit tegen vaccinaties geleidelijk uit de lectuur.
De oorsprong van het bloedtaboe is enigszins in nevelen gehuld. Weliswaar kondigde het Genootschap de doctrine in 1945 af, maar dat was niet de eerste keer dat er over werd geschreven. In 1939 schreef de toenmalige leider Rutherford dat "het leven in het bloed zit en dat het bloed niet mag worden gegeten" als antwoord op de vraag of het eten van varkensvlees volgens de bijbel wel geoorloofd was; over bloedtransfusie werd niet gesproken. Integendeel, men had er geen enkel bezwaar tegen. In de Engelstalige uitgaven van Vertroosting (de onmiddellijke voorganger van Ontwaakt!) van 16 oktober en 25 december 1940 werd lovend over de levensreddende eigenschappen van de therapie geschreven. Daarentegen werd in 1943 in de 22 december uitgave van hetzelfde blad bezwaar gemaakt tegen de ontwikkeling van serum tegen hersenvliesontsteking, dat paardenbloed bevatte. "Het goddelijke gebod aangaande het eten of gebruiken van bloed schijnt de 'wetenschappers' niet te verontrusten", aldus de schrijver. Ongeveer tegelijkertijd weigerde een Jehovah's Getuige die gevangen zat in het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück in Nazi-Duitsland nog langer bloedworst te eten. Volgens Deuteronomium 12:24 mocht het bloed niet gegeten worden, maar dient men het als water op de aarde uit te gieten, aldus haar verklaring. Ondanks de uiterst karige rantsoenen zouden haar medegelovigen en zij dit voedsel niet meer eten. Zelfs voor de hechte groep van Getuigen ging dit te ver: volgens het ooggetuigenverslag volgden slechts 25 van de 275 geïnterneerde Getuigen hun geïnspireerde medegelovige.[31]
Twee maanden na de introductie van de bloeddoctrine in de Engelstalige uitgave van De Wachttoren is het volgende in de Nederlandse Vertroosting te lezen: "God heeft nooit bepalingen uitgevaardigd die het gebruik van medicijnen, inspuitingen of bloedtransfusie verbiedt. Het is een uitvinding van menschen, die gelijk de Farizeën Jehova's barmhartigheid en liefde buiten beschouwing laten."
Voor de Nederlandse tegenstanders dient met name deze antithese als bewijsvoering voor de doctrinaire inconsistentie van het Genootschap. Het bleek echter, dat men in Nederland nog niet op de hoogte was van de nieuwe regelgeving, hetgeen veroorzaakt was door de naoorlogse communicatiechaos; anno 1991 een ondenkbare situatie.Tot het midden van de jaren '50 kwam het onderwerp bloedtransfusie in de lectuur van het Genootschap slechts zijdelings aan de orde. Af en toe stelden lezers via ingezonden brieven vragen over het thema. Zo maakte iemand zich ongerust over de relatie tussen bloedtransfusie en de seksuele driften, waarop de redactie hem geruststelde met de mededeling dat de geslachtsdaad niet beschouwd kan worden als een bloedtransfusie van man naar vrouw. Volgens een ander ontbrak het aspect van begeerte, dat zo onlosmakelijk verbonden is met het bijbelse verbod van bloed eten, bij de transfusie. "Hoe kunt u dat zeggen", was het antwoord, "want als de arts een patiënt vertelt dat hij een transfusie moet hebben of dat hij anders niet herstelt, wat anders roept de arts in de patiënt op dan de begeerte om bloed van een ander mens?".[32] Aldus ontstond het beeld van de patiënt als vampier, hetgeen de voorbode was om bloedtransfusie te vergelijken met kannibalisme.[33]
Geleidelijk werd de medische wereld met de doctrine geconfronteerd, hetgeen resulteerde in een toenemende spanning tussen twee waardesystemen: wat is belangrijker, de eed van Hippocrates of godsdienstvrijheid? Met name ging het dan om gedwongen transfusies, die door een rechtbank werden opgelegd. Zowel binnen als buiten de kringen van Jehovah's Getuigen liepen de emoties hoog op, in het bijzonder als er minderjarigen bij betrokken waren. Felle juridische discussies ontstonden bijvoorbeeld ten gevolge van de gedwongen transfusies op 12 minderjarigen in Canada. De kinderen overleden en de ouders waren ervan overtuigd dat dat het gevolg was van de transfusies.[34] Dergelijke gevallen werden uitgebreid in de pers behandeld, waarin een beroep werd gedaan op de fundamentele waarde van een liefdevolle opvoeding. Getuigen werden beschreven als moordenaars van hun eigen kinderen. Maar het was juist die ouderliefde die de Getuigen met hun weigering voor ogen hadden, immers het accepteren van bloed zou betekenen dat kind waarschijnlijk niet het spoedig verwachte aards paradijs zou betreden.
Hoe meer het verzet tegen de Getuigen toenam, hoe feller hun verdediging. Artsen, die zich tegen het transfusieverbod uitspraken, werden "bloeddorstig" genoemd, het uit de ouderlijke macht ontzetten werd vergeleken met de rekrutering van de Hitler Jugend, terwijl één van de Genootschapjuristen de gedwongen transfusies in Canada als een vorm van verkrachting bestempelde.[35] Het is dan ook niet verbazingwekkend dat excessen niet uitbleven: "Een Canadese vrouw, die was bevallen van haar kind, kreeg te horen dat haar kind een wisseltransfusie nodig zou hebben. Het kind werd door een belangenorganisatie tijdens een kortstondige afwezigheid van de moeder overgebracht naar een ander ziekenhuis, dat bijna 100 kilometer van het oorspronkelijke verwijderd was. Vergezeld van haar familie eiste ze aldaar haar kind op om het elders te laten behandelen, maar de verantwoordelijke arts en enkele ziekenhuismedewerkers beletten moeder en kind het ziekenhuis te verlaten. De moeder zette toch door, waarna buiten het ziekenhuis een vechtpartij ontstond tussen de familie van de moeder en het ziekenhuispersoneel. Vervolgens werd een bevel tot huiszoeking bij de vrouw uitgevaardigd, dat later evenwel werd ingetrokken.".[36]
Een zaak die in het begin van de jaren tachtig uitgebreid de pers haalde, betrof een echtpaar op Sardinië dat tot 14 jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, omdat ze schuldig waren bevonden aan moord op hun minderjarige dochter. Het meisje leed aan thalassemie major, een zeer ernstige vorm van bloedarmoede - er vindt geen hemoglobinesynthese plaats - die endemisch voorkomt in het Middellandse Zeegebied. Hoewel de overlevingskans zeer gering is, is het mogelijk via herhaalde bloedtransfusies het overlijden enkele jaren uit te stellen. Nadat de ouders waren bekeerd, zagen zij af van de transfusies, die hun dochter regelmatig ontving. Hierop werd de rechtbank ingeschakeld, met als gevolg dat het meisje regelmatig door de politie uit het gezin werd gehaald, waarna haar bloed werd toegediend. In 1980 overleed ze. Enige dagen na haar dood werden de ouders gearresteerd op beschuldiging van moord. Na een voorarrest van bijna twee jaar werden ze in eerste instantie tot 14 jaar gevangenisstraf veroordeeld, hetgeen in Hoger Beroep werd verminderd tot 9 jaar. Mede wellicht als gevolg van de enorme beroering die de zaak in Italië had gewekt, werd het vonnis eind 1983 door de hoogste rechtsinstantie vernietigd en werden de ouders op vrije voeten gesteld.
Vorig jaar juni meldden de Engelse kranten met vette koppen dat een Cypriotisch echtpaar hun dochtertje, dat aan leukemie leed, had weggehaald uit een Londens ziekenhuis. Volgens de artsen had het kind dringend een transfusie nodig, wilde het niet binnen korte tijd overlijden. De juridische machinerie om het meisje tijdelijk onder toezicht te stellen, was al in werking gezet, maar de ouders en het kind konden voortijdig Engeland verlaten. Aangekomen in Cyprus werd het kind via de persoonlijke tussenkomst van de president van het eiland onttrokken aan het ouderlijk gezag en werd haar bloed toegediend. Weliswaar verbeterde haar toestand, maar de gehele affaire was volgens een correspondent van The Times een voorbeeld van je reinste religieuze vervolging: "Majorities convinced they are right are immensely dangerous; in this case the majority has, through the courts and the child protection laws, given itself the right to overrule the rights of a parent on a point of conscientious conviction. It is the majority's view that the point of conviction is not important, or not so important that it counts for very much. So a court may step in, declare the parents conviction unreasonable, and replace them as parents, in effect, by its own so reasonable self. (The Times, 16/6/'90)"
Daartegenover staat een gebeurtenis in Texas in 1952. De vader en twee broers - de laatsten waren werkzaam op het Hoofdkwartier van het Genootschap in New York - van een slachtoffer van een verkeersongeval posteerden zich voor het ziekbed in een Amerikaans ziekenhuis, teneinde de artsen te beletten een transfusie geven, ondanks het feit dat de gewonde zelf geen Getuige was en geen bezwaar had tegen bloedtoediening. Eventueel zouden zij geweld gebruiken tegen een ieder die dat zou proberen. Op verzoek van het ziekenhuis werden ze gearresteerd. Nog onlangs werd in Spanje een Getuige tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld, omdat deze zonder enige toestemming de sonde had verwijderd van het transfusieapparaat, waarmee een in coma verkerende geloofsgenoot bloed kreeg toegediend.[37]
Tot 1960 had de overtreding van het verbod slechts bovennatuurlijke consequenties. De overtreder zou alleen voor God verantwoording moeten afleggen. Zelfs een "gezalfde zuster", één van de uitverkoren 144.000, hoefde niet te worden uitgestoten.[38] Dat zou veranderen. In de rubriek "Vragen van lezers" in De Wachttoren van 15 juli 1961 werd gesteld dat het accepteren van bloed gevolgd zou worden door excommunicatie, tenzij deze persoon spijt betuigde over zijn daad.[39] Dat laatste impliceert echter nog niet, dat de overtreder onbezorgd het millennium tegemoet kan zien, want, zoals De Wachttoren van 1 april 1968 schrijft, "Menselijk bloed dat door middel van een transfusie in ons lichaam is gebracht, kan ons nooit eeuwig, volmaakt leven in een aards paradijs schenken". Wellicht dat deze maatregel genomen werd als gevolg van het steeds toenemend gebruik van transfusies. De medische wetenschap had snelle vorderingen gemaakt, in het bijzonder op het gebied van de hartchirurgie; het begrip "ruilhart" kreeg zijn plaats in de woordenboeken. Onontbeerlijk voor deze nieuwe methoden was bloed. Deze evolutie zien we dan ook gereflecteerd in de toenemende aandacht in de Genootschapslectuur. Was er in de jaren 1948 en 1949 in het totaal slechts vier maal over bloedtransfusie geschreven, alleen al in 1971 werd het in 16 uitgaven behandeld. Lange artikelen, waarin de doctrinaire fundamenten nogmaals werden belicht, begonnen de pagina's van De Wachttoren te vullen; in Ontwaakt! stonden beschrijvingen over de al dan niet werkelijke gevaren van transfusies, alsmede verslagen waarin Getuigen zonder bloedtransfusie drastische chirurgische ingrepen op wonderbaarlijke wijze overleefden.
Met name de afgeleide regels van het bloedverbod bezorgden de Getuigen - en het Genootschap - veel hoofdbrekens. Het zou te ver voeren om daar gedetailleerd op in te gaan, daarom een greep uit de vragen, die in de jaren '60 in de kolommen van De Wachttoren verschenen: mag een Getuige medicijnen slikken die bloedproducten bevatten, mag je kippen voeren met bloedbevattende producten, mag een arts die Getuige is een bloedtransfusie toedienen - in Nederland heeft een Jehovah's Getuige, die specialist was in een groot ziekenhuis, daarom gekozen voor laboratoriumonderzoek -, mag een dierenarts een huisdier bloedtransfusie geven, enzovoorts. Kennelijk begreep het Genootschap dat een rigide doorvoering van de regel een onhaalbare kaart was. Een Getuige kon nauwelijks verantwoordelijk worden gesteld indien hij bijvoorbeeld bloedproducten bevattend triplex had aangeschaft, en aldus creëerde men een exegetisch schemerterritorium binnen een overigens absolutistisch geloofssysteem: het tot nu toe ongekende "grijze" gebied. Het Genootschap liet het aan het geweten van de individuele Getuige over om over dit soort zaken te beslissen. Trouwens, er was belangrijker werk te doen dan deze exegetische casuïstiek en het controleren of bepaalde producten bloed bevatten: er zou dan minder tijd overblijven om te prediken.[40]
De problematiek die deze flexibele uitleg van het begrip "onthouden van", in samenhang met het semantische probleem wanneer het gebruik van bloed als voeding kon worden beschouwd, blijkt wellicht het duidelijkst uit de beschrijving van een voormalige hooggeplaatste functionaris van het Genootschap: "Hemofiliepatiënten die bij het Genootschap informeerden of ze bepaalde bloedproducten mochten gebruiken tegen mogelijk fatale bloedingen, kregen als antwoord dat een eenmalige toediening als medicatie werd beschouwd en daarom geoorloofd was. Maar meer dan één maal zou beschouwd worden als het gebruik van bloed als "voedsel" en dus een overtreding van het verbod. Jaren later veranderde deze regel. De leiding van het Genootschap voelde er niets voor deze wijziging te publiceren, omdat de vorige regelgeving nooit was gepubliceerd, maar slechts was medegedeeld aan hen die daarom vroegen. Het leek onwenselijk een nieuw standpunt te publiceren, terwijl tegelijkertijd het achterhaald standpunt moest worden uitgelegd. Degenen die op het hoofdkantoor de correspondentie hadden afgehandeld konden via de archieven de brieven achterhalen van hen die schriftelijk om deze informatie hadden gevraagd en hen vervolgens van de wijziging op de hoogte stellen. Toen realiseerde men zich dat velen telefonisch om inlichtingen hadden gevraagd. Er was absoluut geen mogelijkheid om deze mensen te bereiken. (...) Of sommigen, waarmee men geen contact kon krijgen en nog steeds de oude regelgeving opvolgden en als gevolg daarvan wellicht waren overleden, was niet vast te stellen.".[41]
De andere kant van de medaille is het feit dat het Genootschap zich in de lectuur liberaal opstelt ten aanzien van de toediening van bloedproducten. Zo heeft men het gebruik van Factor VIII en IX, bloedbestanddelen voor hemofiliepatiënten, ondanks het "niet ter discussie staande en ondubbelzinnige" karakter van de doctrine, niet verboden.[42] De tragiek is echter, dat juist deze medicijnen de HIV-besmetting van 10,000 Amerikaanse hemofiliepatiënten veroorzaakt hebben en statistisch gezien betekent dat deze groep tevens ongeveer 30 Getuigen omvat. Weliswaar komt in de lectuur telkenmale naar voren dat de gelovigen als gevolg van hun levenswijze en afkeuring van bloedtransfusie gevrijwaard zijn van mogelijke AIDS-besmetting en citeert men medische autoriteiten die het "Jehovah's Getuigen zijn als beste preventie voor AIDS beschouwen"[43], maar verbod of niet, ook onder de aanhangers van het Genootschap zal men - cynische genoeg, mede als gevolg van de ambivalentie van de regelgeving - AIDS-patiënten aantreffen.[44] In de Genootschapslectuur zal men ze echter niet aantreffen.
Anno 1991 is het verbod duidelijk omschreven: bloedtransfusie is verboden en alle andere vormen van bloedgebruik worden ter beoordeling aan de individuele Getuigen overgelaten. Ook het gebruik van eigen bloed van de Getuige, de autologe transfusie, is aan beperkingen onderhevig. Zo is het niet toegestaan eigen bloed af te nemen en op te slaan, teneinde er in noodgevallen gebruik van te maken. Wel is het mogelijk het eigen bloed te gebruiken, vooropgesteld dat het tijdens de ingreep blijft circuleren. In de chirurgie worden dergelijke instrumenten dan ook toegepast. De argumentatie is identiek aan die van de gevangene in Ravensbrück: zodra het bloed uit het lichaam stroomt, moet het als water op de aarde worden uitgestort en met zand worden bedekt. De Bijbelse wetgeving voorziet dus kennelijk niet in een hart-longmachine.
De psychische besmetting, of "If All Blood Is The Same, How Come There's No Mafia In Sweden?".Deze uitspraak van Archie Bunker, de oerconservatieve hoofdfiguur in de befaamde Amerikaanse televisie-serie All in the Family, is tekenend voor de oude theorie die veronderstelde dat het karakter van de mens lag opgeslagen in zijn bloed. Deze zogenaamde telegonie ging ervan uit dat het bloed de erfelijke eigenschappen bevatte en als zodanig werden doorgegeven aan het nageslacht. Weliswaar maakte de ontdekking door Mendel van de erfelijkheidswetten een einde aan dit gedachtegoed, maar als ideologisch wapen heeft het zijn waarde lange tijd gehouden. Ook voor het Genootschap was deze visie tot in de jaren 70 een belangrijke seculaire ruggesteun voor de bijbelse argumentatie. Het volgende is uit de Engelstalige editie van Ontwaakt! van 8 juli 1967: "Sommigen zeggen dat bloedtransfusies ongevaarlijk zijn. Gelooft u dat? Gedurende 40 jaar stond K. bekend als een eerlijk man. Nadat hij een val had gemaakt, kreeg hij een transfusie. "toen vernam ik dat de donor een dief was", vertelde K. de politie. Toen ik hersteld was ontdekte ik dat ik de vreselijke neiging had te stelen". En stelen deed hij. Hij bekende dat hij bij zes overvallen ,10.000 had buitgemaakt. K. heeft gedreigd de arts die hem de transfusie heeft toegediend te zullen vervolgen, indien hij voor zijn daden streng gestraft zal worden."
Om het denkbeeldige gevaar te illustreren van besmetting met de minder fraaie trekjes van de gulle gever, conform het bijbelse adagio "de ziel van het vlees is in het bloed", citeerde het Genootschap een aantal malen uit geneeskundige literatuur, die waarschijnlijk in medische kringen toch op z'n minst als omstreden zou zijn beschouwd. Volgens deze bronnen bevat het bloed "(...) alle eigenaardigheden van het individu, zoals bijvoorbeeld erfelijke gebreken, giftige stoffen als gevolg van de persoonlijke levenswijze, eet- en drinkgewoonten...De giftige stoffen welke de prikkel verschaffen om zelfmoord te plegen, een moord te begaan of te stelen, bevinden zich in het bloed. (...) Hoe groot is het gevaar wel niet indien bloed wordt betrokken van bloedbanken, waaraan misdadigers en andere maatschappelijk ontspoorden hun bijdrage hebben geleverd. (...) Morele krankzinnigheid, sexuele perversies, dwangneurosen, minderwaardigheidscomplexen, kleine misdaden -deze volgen bloedtransfusies vaak op de voet.".[45]
Wellicht is ook de nauwkeurige lezer van het welbekende boek De Kleine Dokter van de Zwitserse natuurgenezer Dr. Vogel op de passage gestoten, dat eventuele karakterveranderingen kunnen optreden als gevolg van een transfusie. Volgens hem overtreedt men hiermee het goddelijk gebod. Let wel, het was niet alleen het Genootschap dat dergelijke ideeën koesterde. Voor het creëren van een vijandsbeeld bleek het gebruik van bloed uiterst illustratief. De literatuur over medische folklore is bezaaid met fraaie voorbeelden. Wat te denken van de Engelsman, die drie transfusies krijgt met bloed van een Schot. Dankbaar betaalde hij ,10 voor de eerste, met veel tegenzin ,5 voor de tweede en er kon slechts een dankjewel af voor de derde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog beroofde een fanatiek SS'er zich van het leven toen hij, gewond in geallieerd krijgsgevangenschap, erachter kwam dat hij was getransfuseerd met Engels bloed. Omgekeerd schijnt een Britse bevelhebber tijdens de acties in Noord‑Afrika het bevel gegeven te hebben om 100 flessen bloed van Duitse krijgsgevangenen te vernietigen, liever dan ze toe te dienen aan zijn gewonde manschappen. Het is van belang om op te merken hoe het Genootschap de kwaliteit van het bloed benadrukte door middel van een negatieve afschildering van de donor. Als hij al geen misdadiger was, dan bestond er op z'n minst een sociale afstand tot de ontvanger. Zo werd gesteld dat de Getuigen hun kinderen zullen beschermen tegen het nemen van vreemd bloed. En al is de donor een respectabel familielid met een onberispelijke levenswandel, dan ligt het gevaar toch op de loer. Maar nee, de donor is meestal een onbekende, ja zelfs misschien een gevangene of een alcoholicus, aldus het Genootschap.
Dit soort argumentaties zal men tegenwoordig niet meer in de lectuur tegenkomen. De brochure Blood, Medicine and the Law of God uit 1961 is in 1977 vervangen door een wetenschappelijk meer verantwoorde versie, die op haar beurt in 1990 is opgevolgd door een nagenoeg bibliografisch overzicht van de intussen omvangrijke medische vakliteratuur waarin de nadelen van bloedtransfusie worden beschreven. Daarbij moet echter aangetekend worden dat de referenties, zoals in alle publicaties van het Genootschap, zeer selectief zijn. Naast deze inhoudelijk wijzigingen, is er ook sprake van een kentering in de toonzetting. De provocerende retoriek van de jaren '50 en '60 heeft geleidelijk aan plaats gemaakt voor een meer coulante aanpak, hetgeen mede het gevolg is van zowel een toenemend begrip en erkenning van de medische wereld voor het standpunt van de Getuigen en het kennelijke besef van de kant van het Genootschap dat voortdurende agitatie zijn grenzen heeft. Zo publiceerde de medische staf van het Genootschap haar zienswijze op de bloedkwestie in de gerenommeerde Journal of the American Medical Association (JAMA) en de New York State Journal of Medicine.[46]
Hoewel AIDS nu door de Getuigen wordt gehanteerd als belangrijke steun voor de rechtvaardiging van het verbod en er ook buiten de kringen van het Genootschap sprake is van argwaan jegens transfusies - zo bleek uit een recentelijk Nederlands onderzoek dat 83% van de ondervraagden bloedtransfusie wantrouwt in verband met mogelijke AIDS-besmetting [47] - is het maar de vraag of buitenstaanders ook het verbod in zijn geheel onderschrijven. Zo liet een uitzending van TROS-Actua van 28 februari 1989 zich duidelijk negatief uit over het verbod. Het onderwerp was een Getuige, die bloed had geweigerd tijdens een gynaecologische ingreep en die volgens de behandelend artsen aan de gevolgen daarvan was overleden. De kritiek van de programmamakers richtte zich met name op de uitlating van de woordvoerder van het Nederlandse hoofdkantoor in Emmen, dat het Genootschap niet verantwoordelijk was voor de beslissing van de patiënte. Naar aanleiding van het NCRV-programma Rondom 10 van 6 januari 1990, waarin Getuigen hun standpunt ten aanzien van het transfusieverbod verdedigden, kreeg een aantal van hen het de volgende dag tijdens de huis-aan-huis prediking zwaar te verduren. Maar niet alleen van huisbewoners; ook medegelovigen die de uitzending hadden gezien waren verbaasd over de soms weinig overtuigende wijze waarop de deelnemers de doctrine hadden verdedigd.[48]
De NCRV heeft naar aanleiding van deze uitzending 63 schriftelijke reacties ontvangen, die ik met toestemming van de redactie van het programma heb mogen inzien. Daaronder bevonden zich drie brieven van eenzelfde persoon, twee brieven die de uitzending slechts noemden maar er verder niet op reageerden en vier brieven van Getuigen. Deze laatsten, bijgevallen overigens door een pastor van een Gereformeerde Kerk die vond dat men de Getuigen te kort deed, keerden zich tegen de uitzending, vanwege het tendentieuze karakter, of zoals één van hen dat verwoordde: "Een groeiend deel van de bevolking werd in feite voor onwijs te kijk gesteld". Dit ongenoegen van de kant van de Getuigen is begrijpelijk, omdat de uitzending werd gedomineerd door het tragische sterfgeval van een vrouw als gevolg van een transfusieweigering tijdens een complicatie in een gynaecologische ingreep. Als ter zake kundigen in dit programma trad slechts het medisch personeel op, dat bij deze ingreep was betrokken. Hun frustratie, als gevolg van het onvermogen om in te grijpen, zette de toon van het hele programma, zodat van enige distantie om over deze uitermate gevoelige kwestie van gedachten te wisselen, nauwelijks sprake was. De programmaleiding zou er verstandig aan gedaan hebben eveneens een medisch-ethicus uit te nodigen, alsmede enige deskundigen die de reeds eerder genoemde nadelige gevolgen van transfusies kon benoemen. Tevens is het merkwaardig, dat het Genootschap niet enige ideologische "zwaargewichten" of een Getuige-arts zoals mv. Bouwhuis - die in een ingezonden brief in de Libelle haar menig over bloed had gegeven -, had ingezet, die met meer verve de doctrine hadden kunnen verdedigen: AIDS of andere medische bezwaren zijn in het programma niet naar voren gekomen. Het effect was dan ook duidelijk: van het restant van de ingezonden brieven, bleken 29 reacties fel tegen, terwijl, opmerkelijk genoeg, 22 briefschrijvers zich geen oordeel aanmatigden, maar slechts wilden weten op welke passages in de Bijbel het verbod was gebaseerd. Ook dit was in de uitzending niet genoemd. Afgezien van trefwoorden als "geschift", "moordenaars", "stupide figuren", "gevaarlijke lieden", enzovoorts, waren de argumenten van de tegenstanders dan ook vooral gericht op de gedwongen machteloosheid van de artsen en verpleegkundig personeel in dergelijke situaties. Men sprak zijn afschuw uit over het feit, dat de Getuigen hen opzadelde met een conflict: "Hebben ze daar nu zo hard voor geleerd?". Velen meenden ook dat autologe bloedtransfusie het verbod omzeilde. Een briefschrijver vroeg zich af "wie de onnodig lange verpleegduur financierde van Getuigen die hun genezing willens en wetens uit- of afstellen".[49] Een ander had slechte ervaringen met een Getuige, die haar kamergenote was tijdens een ziekenhuisopname: "Zoals die vrouw het personeel wist te beledigen in het uitoefenen van hun functie, terwijl je er uit eigen beweging komt om hulp te ontvangen. (...) Ook waren zij en haar bezoek zo onbeschoft om de hele dag van ca. 11 uur 's morgens tot laat in de avond de kamer te bevolken, zodat je als patiënte noch privacy noch rust kreeg. (...) Als het bezoek weg was nam ze tot een uur of drie 's nachts de lectuur door waardoor we, gehinderd door licht en zaklantaarns, niet konden slapen. (...) Toen de vrouw bloed aangeboden kreeg vanwege haar niet al te beste toestand besloot ze terstond naar huis te vertrekken."
Vergelijken we de resultaten van dit briefschrijvers-"onderzoek", waaruit blijkt, dat met uitzondering van de Getuigen, niemand tegen bloedtransfusie is, met de eerder genoemde 83% die de behandeling wantrouwt, dan lijkt de enige variabele die dit verschil kan verklaren de wijze van presentatie van de problematiek: een betrekkelijk eenzijdige en emotionele belichting vanuit de "machteloze artsen"-visie levert volstrekt andere resultaten dan vanuit een optiek waarin de AIDS-besmetting centraal staat.
Voor de individuele Getuige lijkt het verbod in het dagelijks leven geen belangrijke rol te spelen. Tenslotte zullen de meeste aanhangers nooit rechtstreeks met de doctrine geconfronteerd worden. Nieuwelingen weten dat ze het verbod moeten accepteren voordat ze definitief worden toegelaten tot de organisatie. Of men zich ook goed realiseert welke consequenties dat eventueel mee zich mee kan brengen, is een andere zaak. Zo vertelde een Getuige mij, dat hij zich pas na zijn doop intensief met de bloedkwestie ging bezighouden, terwijl hij zich daar in de voorafgaande fase nauwelijks om had bekommerd. Om enige zekerheid te krijgen over de ideologische geschiktheid van de kandidaat moet de neofiet instemming tonen met de theologische opvattingen van het Genootschap. Dit vindt plaats aan de hand van de bestudering van de 124 zogenaamde "doopvragen", die het gehele doctrinaire corpus, waaronder dus de leerstellingen over het bloed, omvatten. Als de ouderlingen overtuigd zijn dat de kandidaat het nieuwe geloofssysteem accepteert, dan vindt de uiteindelijke rite de passage via de doop plaats. De belangrijkste indicatie van de toewijding is dan de predikingsactiviteit. De bloedtransfusiekwestie manifesteert zich alleen op de achtergrond: de Getuige dient de "Geen-Bloed"-verklaring in te vullen en te laten ondertekenen door twee ouderlingen. Jaarlijks wordt het document vernieuwd. Het Genootschap is van mening dat men uit een zo recent mogelijk gedateerde wilsbeschikking mag concluderen dat de drager nog steeds de doctrine ondersteunt.
In de relatie met de arts wordt de Getuigen erop gewezen hoe men het standpunt ten opzichte van de bloedkwestie dient uit te dragen. Kennelijk wijs geworden door ervaringen uit het verleden legt men het accent op: "(...) de noodzaak respect te tonen voor de positie van doktoren, niet vijandig te zijn of een superieure houding tentoon te spreiden. Zo'n negatieve benadering zou onverstandig en tot nadeel van jezelf zijn. Vergeleken met onze dokter mogen wij misschien deskundig zijn met betrekking tot Gods woord, maar wij dienen hem gepaste eer te geven als een deskundige in medische aangelegenheden (1 Petr.2:17)".[50]
In een instructie, die in november 1990 aan alle Getuigen werd uitgereikt, wordt nog eens uitgebreid ingegaan op de stappen die de gelovige moet nemen om van een transfusie gevrijwaard te blijven. De tekst is in de eerste plaats bedoeld als ruggesteun voor dìe Getuigen, die onder druk van het medisch personeel aan het twijfelen kunnen worden gebracht: "Zou jij ertoe misleid kunnen worden te denken dat artsen misschien meer over bloed weten dan God? In deze omstandigheden zul je stelling vastbesloten willen zijn te doen wat recht is in Jehovah's ogen, ongeacht wat louter mensen ook mogen zeggen (Deut.12:23-25)". In tweede instantie maakt de handleiding duidelijk, dat men er niet alleen voor staat. Er wordt aangeraden een beroep te doen op de ouderlingen van de gemeente, die op hun beurt de eerder genoemde Ziekenhuiscontactcomités kunnen inschakelen, indien er sprake is van pressie van het medisch personeel. Tenslotte voorziet de instructie in een scenario, dat anticipeert op lastige vragen. Als opmerkelijk staaltje van een compromis met de "wereld" en het feit dat het eigen belang af en toe mag prevaleren boven de millennistische Koninkrijksbelangen, een lang citaat: "Zou u liever sterven (uw kind laten sterven) dan een 'levensreddende bloedtransfusie' aanvaarden?" Als je ja zegt, zou dat in religieus opzicht juist zijn. Maar dat antwoord wordt vaak verkeerd opgevat en leidt soms zelfs tot ongunstige gerechtelijke uitspraken. Je moet in gedachte houden dat je in deze situatie niet in de dienst bent. [hiermee wordt bedoeld het predikingswerk, RS] Daarom moet je je aanpassen aan je toehoorders, of dat nu medici of juristen zijn. (...) "ja" (kan) betekenen dat je een martelaar wilt zijn of je kind voor je geloof wilt offeren. Het zal in deze situatie gewoonlijk niet baten wanneer je hun zegt een sterk geloof in de opstanding te bezitten. Zij zullen je als een religieus fanaticus brandmerken, niet in staat tot het nemen van rationele beslissingen wanneer het leven ermee gemoeid is. Je weigert echter NIET categorisch elke medische behandeling. Je verschilt eenvoudig met de arts over DE SOORT van behandeling. Dit standpunt zal hen vaak een heel ander beeld geven en een keer brengen in jouw situatie."[51]
Dat was ruim 30 jaar geleden wel anders. Vergelijk bijvoorbeeld De Wachttoren van 15 juni 1956: “Verandert de waarde van zijn [d.w.z. de Getuige, RS] dienst al naar gelang de plaats waar of de andere wijze waarop hij ten uitvoer wordt gebracht? Willen zij al hun tijd alleen maar moeite- en vervolgingsloos in Jehovah's dienst besteden? (...) Deze dienst dient niet ondergeschikt te worden gemaakt aan persoonlijke belangen, maar als van het allergrootste belang te worden beschouwd. Zij die deze dienst niet op de eerste plaats stellen zijn nog geen andere waarden aan de dingen gaan hechten en zijn nog steeds aan deze tegenwoordige wereld of dit samenstel van dingen gevormd”.
Tijdens de bijeenkomsten in de Koninkrijkszaal komt het onderwerp nauwelijks ter sprake. Alleen indien één van de leden van de gemeente in een situatie verkeert, dat een transfusie medisch gezien noodzakelijk wordt geacht, is er enige spanning te bespeuren. In het bijzonder als er door medisch personeel druk wordt uitgeoefend om bloed te accepteren, zullen de gemeenteouderlingen de patiënt en familieleden bijstaan teneinde mogelijke twijfel weg te nemen. Tegelijkertijd draagt men het standpunt van het Genootschap uit naar artsen en verpleegkundigen. Zoals de gynaecoloog van der Klei het in de bovengenoemde TROS-uitzending verwoordde: "Je hebt het idee dat je met een groep overlegt. Het overleg met de patiënt wordt afgeschermd door de groep".
Volgens de Amerikaanse auteur Galanter, die veel geschreven heeft over de psychologische aspecten van religieuze bewegingen, functioneert de groep op deze wijze als een psychologische tang: de groepsregels schrijven voor dat men zich aan een potentieel gevaarlijke situatie moet bloot stellen, maar tegelijkertijd voelt de individu dat met steun van de groep de angst voor dat gevaar vermindert.[52] Aldus creëert de groep een beschermend schild tussen leerstellige vereisten en wereldse verleiding. En mocht zich de omstandigheid voordoen, dat bloedweigering leidt tot overlijden, dan is het opmerkelijk hoe veel Getuigen een dergelijke controversiële gebeurtenis rationaliseren: "Hoe weet je zo zeker dat het sterven is veroorzaakt door bloedweigeren, en niet door een andere medische oorzaak, of een fout van het artsenteam?", is een veelgehoorde verdediging tegen uitlatingen van verontwaardigde buitenstaanders (en verontruste mede-Getuigen). In de psychologie staat een dergelijke verklaring bekend als een voorbeeld van reductie van cognitieve dissonantie: ieder individu zal trachten het spanningsveld tussen twee elkaar strijdige noties te verminderen.[53] In dit geval creëert het religieuze systeem, dat zin moet geven aan het hele bestaan, juist het tegengestelde: verdriet en onmacht. Kritiek op het geloof betekent in zo'n geval kritiek op de eigen zingeving: een onhoudbare situatie. Een voor de hand liggende oplossing zou zijn het geloof af te zweren - en wellicht dat dat in sommige gevallen ook gebeurt - maar theologische en sociale factoren bieden een tegenwicht aan defectie. Immers, de Apocalyps en de daaropvolgende wederopstanding en hereniging van de dierbaren zal zeer spoedig plaatsvinden, en de sterke cohesie van de Getuigen vormt een belangrijk troostend vangnet voor de getroffene. De oplossing voor het probleem wordt dan gevonden in de buitenwereld: niet de doctrine, maar de geneeskunde of andere externe oorzaken zijn verantwoordelijk. Op deze wijze wordt het geloofssysteem vrijgepleit, waardoor het weer een legitieme plaats kan innemen als zingevings- en zinnemingsstelsel.[54]
DiscussieVeel buitenstaanders hebben de indruk dat het bloedtransfusieverbod van de Getuigen gebaseerd is op de in sommige fundamentalistische kringen gangbare zienswijze, dat medisch ingrijpen indruist tegen de goddelijke voorzienigheid. Niets is minder waar. Zolang er maar geen bloed wordt toegediend, hebben de aanhangers van het Genootschap geen enkel bezwaar tegen wat voor geneeskundige behandeling dan ook. Besmetting, in het bijzonder als er dwang bij te pas komt, lijkt het sleutelwoord te zijn aan de hand waarvan het verbod wellicht is te analyseren. De bezwaren die het Genootschap had tegen vaccinatie berustten voornamelijk op de vermeende verontreinigende eigenschappen van de entstof. De lichamelijke integriteit van de individu werd aangetast door deze penetratie van kwalijke stoffen, afkomstig van een ziek medemens of een dier - Oudtestamentisch een verwerpelijke aangelegenheid.[55] Naast deze besmettingsvisie speelde het aspect van overheidsbemoeienis met vaccinaties een zeer belangrijke rol. Met name in de periode voor de Tweede Wereldoorlog wees het Genootschap voortdurend en op niet mis te verstane wijze op de staat als de ultieme belichaming van Satan. Samen met industriële ondernemingen, de gevestigde kerk en maatschappelijke elites vormt de overheid een demonisch complex, dat er niet alleen op uit is het Genootschap te vernietigen, maar tevens de eenvoudige burger te knechten. Deze ideologische tegenstanders, in de gedaante van gezondheidsautoriteiten, de farmaceutische industrie en een onaantastbare medische stand dwongen nu de eenvoudige man zich te laten inspuiten met een vieze stof. Velen beschouwden verplichte vaccinatie als een schending van de privacy van het gezinsleven door de overheid. Op dezelfde wijze waarop het Genootschap de wereldse instituties zo fanatiek verwierp, zo werden ook specifieke voortbrengselen daarvan verworpen: het afwijzen van vaccinatie maakte deel uit van het afwijzen van de wereld.
Als men de gedachte huldigt dat vaccin de ontvanger kan besmetten, dan kan bloed dat ook. Universeel heeft bloed een enigszins verontrustende en ambivalente culturele betekenis, in het bijzonder in de religieuze sfeer. "Men ziet bloed tegelijkertijd als zuiver en onzuiver, aantrekkelijk en afstotend, sacraal en profaan, leven en dood".[56] Het symbolische belang van bloed kan men volop aantreffen in antropologische literatuur. Bloed wijst op groepsidentiteit, het is de basis van verwantschap en de wijze waarop mensen met elkaar omgaan hetgeen op de meest zichtbare wijze wordt uitgebeeld door het drinken van elkaars bloed. In de huidige Westerse samenlevingen is een dergelijke manifeste uiting van groepsverbondenheid op de achtergrond geraakt - ik laat inwijdingsrituelen van sommige obscuur sektarische groepen in het midden - maar uitdrukkingen als "bloed is dikker dan water", "het bloed kruipt waar het niet gaan kan", "eigen vlees en bloed" en de sinistere toepassingen in raciale ideologieën geven blijk van het universele belang van de relatie "bloed - groep". Zo is bijvoorbeeld het gesloten Indiase kastensysteem gebaseerd op de gedachte dat het bloed van de ouders wordt overgedragen naar de kinderen. De zuiverheid van de hele kaste wordt bepaald door de zuiverheid van het bloed van ieder individu. Verontreiniging van het bloed van één persoon betekent een smet op de hele kaste.
Dit aspect van bloedverwantschap speelt ook een rol in de doctrine van het Genootschap. Zoals ik al eerder schreef, benadrukte het Genootschap vaak de bedenkelijke eigenschappen van de bloeddonoren, die hun kwaadaardige karakter via het bloed zouden overbrengen naar het lichaam van de gelovige. Analoog aan de Indiase kaste betekent de verontreiniging van de individu een smet op de hele groep. De analogie houdt hier echter op, want waarom zouden Getuigen dan niet elkaars bloed mogen gebruiken? Ik denk dat het van belang is dat men zich realiseert dat de aanhang van het Genootschap een weinig stabiel beeld vertoont: cijfers tonen aan dat 40% van de nieuwe aanhangers het op een gegeven moment voor gezien houdt en marginaliseert of de organisatie verlaat, oftewel een "draaideur"-effect.[57]Volgens het Genootschap dient men afvalligen volstrekt te mijden en zijn zij onder de invloed van de duivel. De gedachte dat een gelovige zou rondlopen met het bloed van iemand die nu tot de categorie van Satan behoort is volgens deze opvatting bijna obsceen. Een absoluut verbod is dus de beste verdediging tegen geestelijke verontreiniging.
Nog belangrijker voor de discussie is de verwevenheid tussen bloed en oorlog, hetgeen wijst op de sociaal-historische context waarin de doctrine opkwam. Bloedtransfusie heeft een duidelijke verwijzing naar oorlogsomstandigheden. De Eerste Wereldoorlog zag de eerste grootschalige toepassing van de toen nog relatief nieuwe behandelmethode. De Spaanse Burgeroorlog toonde opnieuw beelden van gewonde strijders van wie gepoogd werd het leven via bloedtoediening te redden. Weliswaar moet het Genootschap niets hebben van het predikaat "pacifistisch" - dat wordt als een "bezoedeling" beschouwd - maar de mogelijkheid dat men een medegelovige zou moeten doden en het feit dat het leger wordt beschouwd als een instituut dat ten dienste staat van een verwerpelijk staatsgezag, zijn redenen om zich niet te mengen in gewapende conflicten.[58] Toen gedurende de Tweede Wereldoorlog de Amerikaanse bevolking regelmatig werd aangemoedigd om bloed te geven voor de gewonde militairen, is het voorstelbaar dat dit patriottische klimaat een goede voedingsbodem vormde voor de doctrine. Of, om het botweg te zeggen: een bloeddonatie werd beschouwd als een offer voor de oorlogsgod. Op deze wijze maakte bloedtransfusie deel uit van, in de ogen van het Genootschap, andere verwerpelijke nationalistische manifestaties zoals vlaggen, volksliederen en legers. En om het nog erger te maken gingen de vijanden van het Genootschap, zoals politici, geestelijken en vertegenwoordigers uit de amusementswereld, het Amerikaanse volk voor in de bloeddonor campagnes.[59]Daardoor kreeg het geheel een nog veel verwerpelijker karakter, hetgeen te vergelijken is met één van de verklaringen van het Joodse varkensvleestaboe: het vlees in onrein omdat de vijand - de Kanaänieten - het wél eet.
Het bovenstaande mag dan de keuze voor dit specifieke taboe verklaren, maar nog niet de reden waarom het werd ingevoerd. Daarvoor moeten we te rade gaan bij het theoretische werk van de antropologe Mary Douglas. Een centraal thema bij Douglas is de relatie tussen de symbolische en de sociale orde in verschillende culturele systemen. In haar boek Purity and Danger analyseert ze de symbolische betekenis van verontreiniging. Ze stelt daarin dat rituelen waarin smetangst naar voren komt een weerspiegeling zijn van de angst voor de bedreiging van de sociale omgeving. Het menselijk lichaam symboliseert de omringende sociale structuur. Gevaren, die de samenleving van buitenaf bedreigen, zien we in de rituelen terug door de grote aandacht die wordt besteed aan lichaamsopeningen en de onreine stoffen die het lichaam verlaten. De uitgebreide reinigingsrituelen van bepaalde kasten in India zouden volgens deze verklaring dan ook verband houden met hun minderheidspositie in het gehele Hindoe-kastenstelsel. Ook in de Joodse situatie treft men dit aan: er is volgens Douglas een duidelijke relatie tussen hun langdurige positie als onderdrukte minderheid en hun zorg voor de integriteit en reinheid van hun lichaam, en in dat licht worden bloed, pus, uitwerpselen en sperma dan ook als onreine stoffen beschouwd. Voorschriften over verontreiniging en reinheid zijn dus van groot belang voor het afbakenen van grenzen rondom de leden van een groep en kunnen met name worden aangetroffen in situaties waar de structuur van de groep wordt bedreigd.[60]
Precies in een dergelijke situatie bevonden de Jehovah's Getuigen in de periode dat de doctrine werd gepubliceerd. De Tweede Wereldoorlog markeerde voor de Getuigen het hoogtepunt van hun vervolging: in het bezette Europa waren ze gedeporteerd naar de concentratiekampen in Nazi-Duitsland, terwijl ze in de geallieerde landen werden vervolgd voor hun vermeende pacifistische, anarchistische, fascistische of communistische opvattingen. Immers, hun anti-nationalistisch-militaire gedrag maakten hen een gemakkelijke prooi voor patriottische gevoelens. Voeg daarbij hun onorthodoxe predikingsdrift en hun afwijkende visie op religieuze dogma's, hetgeen zich met name in de jaren 30 tegen hen keerde, en het beeld ontstaat van een religieuze minderheid die beschouwd kan worden als één van de meest vervolgde groep Christenen in deze eeuw: een totale ineenstorting stond voor de deur.[61]Weliswaar vormde externe bedreiging een belangrijk bindmiddel - ofschoon dat regionaal varieerde - en droeg het collectieve predikingswerk bij tot lokale onderlinge verbondenheid, maar het ontbrak het Genootschap aan de zo noodzakelijke symboliek die de reinen van de onreinen scheidt. Om in termen van Douglas te spreken, het element van "heiligheid" was niet aanwezig. "Heiligheid", of de oorspronkelijke Hebreeuwse betekenis "zich afscheiden", was nodig ten einde de Getuigen een collectieve identiteit te geven. Een duidelijk gestelde reinheidsdoctrine zou deze functie kunnen vervullen. De keus viel op bloed, dat wil zeggen, de vermijding ervan. Naleving van de regel betekent nabijheid van en contact met het opperwezen, op dezelfde wijze zoals de Joodse spijswetten een intieme relatie met de godheid mogelijk maken.
Op deze wijze functioneert het verbod als één van de belangrijkste kenmerken van hun collectieve identiteit. Maar het is méér dan dat: de gezamenlijke overtuiging dat het nalaten van een, in de ogen van de buitenwereld, mogelijk levensreddende handeling, creëert een rigide scheidslijn tussen gelovigen en ongelovigen, tussen goed en kwaad, tussen redding en vernietiging. Het resulteert, om het populair uit te drukken, in een ongekend "wij"-gevoel. En de onderlinge, toch al spreekwoordelijke sociale cohesie wordt alleen nog maar versterkt als de buitenwereld de doctrine aanvalt. Daarnaast dient het verbod als één van de selectiecriteria voor hen die willen toetreden: het onderschrijven ervan door de nieuwe aanhanger overtreft de eisen van een vrijblijvende aansluiting. Het is een offer dat deel uitmaakt van de prijs voor dat lidmaatschap, hetgeen op zijn beurt de motivatie om in de organisatie actief te zijn, vergroot.
Er is één uitzondering: tijdens de jaarlijkse Avondmaalsviering - één van de spaarzame rituelen die het Genootschap rijk is - mag alleen het restant van de uitverkoren 144,000 "gezalfde" Getuigen het symbolische bloed van Jezus drinken. Voor 1990 betekende dat 0.2% van de 3.8 miljoen Getuigen. Ondanks deze uitzondering is het oude kerkmotto Ecclesia abhorrent a sanguine in de meest letterlijke zin van toepassing op het Genootschap.
ConclusieIn de jaren '50 karakteriseerde een Amerikaanse auteur de Jehovah's Getuigen als een proletarische beweging: een maatschappelijke groepering, die de gevestigde instituties wantrouwt. Om daar uiting aan te geven beschikten dergelijke bewegingen over "afscheidingsrituelen", waarmee ze zich afzonderden van de rest van de samenleving.[62] Of de terminologie "proletarisch" op zijn plaats is, wil ik hier in het midden laten, maar de constatering van de sociale afbakening van de beweging is relevant. Het verwerpen van de wereld is een fundamenteel ideologisch kenmerk van het Genootschap. Deze afscheiding tracht men te bewerkstelligen door zich niet in te laten met maatschappelijke instituties of met hen, die de beginselen van het Genootschap niet onderschrijven. Een reeks bijbelse verwijzingen geeft aan dat "ware Christenen" weliswaar in de wereld leven, waar ze hun dagelijkse activiteiten verrichten, maar daar geen deel van zijn. Tegelijkertijd en nauw vervlochten hiermee is het streven naar groepszuiverheid. Slechte invloeden van buitenaf moeten worden geweerd, immers, de groep beschouwt zich als uitverkoren. Maar het is meer dan louter een theologisch probleem, want een smet brengt niet alleen de millennistische hoop in gevaar; de mogelijkheid voor het uiten van dissidente opinies ondergraaft de theocratische structuur van het Genootschap en daarmee het bestaansrecht. Deze houding van anti-institutionalisme en het streven naar onbesmetheid van de groep - twee typische kenmerken van de meeste religieuze bewegingen - lijken ten grondslag te liggen aan het bloedtransfusieverbod. Daarbij is de patriottische sociale context van de Tweede Wereldoorlog van essentieel belang: transfusies horen thuis in de reeks van afkeurenswaardige vaderlandslievende activiteiten. Maar daarnaast kan bloed besmetten, en in die zin ligt de verwerping ervan in het verlengde van de vooroorlogse bezwaren die het Genootschap had tegen vaccinaties. En voor zowel transfusies als vaccinaties gold, dat aartsvijand "de staat" het gezinsdomein kon aantasten door haar ingezetenen te dwingen deze vervuilende stoffen tot zich te nemen.
Sinds de introductie in 1945 is er geen fundamentele wijziging in het verbod opgetreden. Dat geldt echter niet voor de afgeleide regels van het bloedverbod. De strikt doctrinaire vereisten in de zin van een absolute onthouding van alle bloedproducten zouden wellicht hebben geleid tot vervreemding van de achterban van het Genootschap, zoals bijvoorbeeld in het geval van het gebruik van bloedbestanddelen in geneesmiddelen en voedselproducten. Strategie heeft wellicht op bepaalde momenten een meer belangrijke rol gespeeld dan doctrine.[63] Datzelfde ligt waarschijnlijk ook ten grondslag aan de vaccinatiekwestie. Een herformulering van deze bezwaren in een alomvattend verbod gebaseerd op bijbelse voorschriften zou niet alleen op bezwaren stuitten op het terrein van de volksgezondheid - denk aan besmettelijke ziekten. Wellicht dat nóg meer pragmatisme van de kant van het Genootschap hier niet vreemd aan is. Niet vergeten moet worden dan in de jaren '40 het Genootschap haar expansie begon te ontplooien naar de Derde Wereld landen. In verband met inentingseisen in veel van deze gebieden zou een doctrinaire afwijzing van vaccinatie voor zowel de zendelingen als voor de reislustige, toezichthoudende top van het Genootschap, het rekruteringsgebied voor de nieuwe aanhang aanzienlijk beperken. Ook de transplantatiebezwaren moeten waarschijnlijk in het licht van het spanningsveld tussen enerzijds rigide dogmatisme en anderzijds rekruteringspotentieel en volgelingentoewijding worden gezien.
Met het verbod op transfusies overschreed het Genootschap in de ogen van velen de grens van het maatschappelijk aanvaardbare, maar alternatieve behandelingen waren in een aantal gevallen mogelijk en een overlevingskans als gevolg van de weigering was niet altijd uitgesloten. Het is twijfelachtig of deze rationele overwegingen een rol hebben gespeeld in de besluitvorming rondom het transfusieverbod, die veeleer gebaseerd was op latente visies van symbolische afscheiding en collectieve identiteit, en als zodanig ook die functies vervulde. Voor identiteitsdoeleinden was een tot doctrine verheven transplantatieverbod dan ook overbodig. Maar ook onwenselijk. Het zou immers kunnen leiden tot een escalatie van het conflict rondom de bloedkwestie met de buitenwereld en, gelet op het ontbreken van medische alternatieven, tot weerstand van aanhangers en potentiële leden. Weliswaar is voor een millennistische religieuze beweging de vijandige omringende samenleving een noodzakelijke voorwaarde voor haar bestaansrecht, maar er zijn uitersten in het aandragen van de munitie.
Weliswaar is de houding van het Genootschap sinds de jaren 60 geëvolueerd van streng "anti-werelds" naar een gematigde "wereld-onverschilligheid", en is het leiderschap, zoals blijkt uit de eerder genoemde ziekenhuisinstructie zelfs bereid de aanhang tot enig opportunisme aan te sporen, ook hier is de millennistische paradox van toepassing: men heeft die "wereld" nog steeds nodig om te laten zien hoe slecht die is. Tegelijkertijd gebruikt het Genootschap "de wereld" indien sommige vertegenwoordigers daarvan hun instemming betuigen met het bloedverbod. Opmerkelijk is dat veel ex-leden, al dan niet actief in het bestrijden van het Genootschap, nog steeds bloedtransfusie verafschuwen. In een brief aan mij omschreef een van deze notoire tegenstanders, James Penton, dat als volgt: "De meeste Getuigen zijn vergevingsgezind als het gaat om overspel, roken, malafide zakenpraktijken en, bovenal, dronkenschap. Maar als het gaat om bloedtransfusie en ketterij, dan kunnen ze dat nagenoeg niet vergeven (...) Het idee van het accepteren van bloed vind ik nog steeds afschuwelijk. Ik weet hoe een orthodoxe Jood zich moet voelen als hem wordt gevraagd varkensvlees te eten".
Het is ondenkbaar dat het Genootschap dit fragment ooit in de lectuur zal vermelden. Per slot van rekening heeft men de ultieme vijand nodig ter afkeuring, niet ter goedkeuring.
Mijn dank gaat uit naar alle betrokkenen die mij de informatie voor dit artikel hebben verstrekt. Met name ben ik dhr. J. Crans van het Wachttorengenootschap in Emmen erkentelijk.
(*) Het oorspronkelijke artikel bevatte een aantal afbeeldingen. Deze ontbreken in de virtuele versie.
Noten
[1]Dit artikel is een compilatie van mijn eerdere publicaties, "Niemand van U zal Bloed eten", Intermediair 29 juli 1988 en "The Blood Transfusion Taboo of Jehovah's Witnesses: Origin, Development and Function of a Controversial Doctrine" Social Science and Medicine 31(4)1990 pp 515-523, aangevuld met recent materiaal. De rechtszaak staat vermeld in Ontwaakt! 22 juli 1990. Onder de kop "De prijs van Oneerlijkheid" staat in de editie van 8 okt 1990 een uitgebreider verslag. [2]De Wachttoren (hierna WT) 1 feb '68 p. 95. Zie tevens WT 1 apr '68 p. 210 [3]WT 15 feb '70 p. 125, mijn cursivering. [4]Cleveland S.E. "Jehovah's Witnesses and Human Tissue Donation" Journal of Clinical Psychology, 32(2)1976 pp 453-458 [5]Zie bijvoorbeeld WT 15 jul '72 p. 420 en de omvangrijke anti-Genootschaps literatuur. [6]De Volkskrant 26 sep '90, 18 dec '90 [7]Lapin R. The Feasibility and Physiological Aspects of Anasthesia and Surgery without homologous bloodtransfusions. Zie verder De Volkskrant 17 jan '87 en 6 feb '88, alsmede Ned. T. Geneesk. 131, 1987, pp 1255-1257. [8]Spradley J. "Down and Out on skid road", in S.D.Feldman & G.W.Thielbar (eds) Life Styles: Diversity in American Culture, Boston, 1975, p.466 [9]Rosenthal E. "Blinded by the Light" Discover aug. '88, pp 28-31 [10]Weinberger M. e.a. "The development of physician norms in the United States: the treatment of Jehovah's Witness patients Soc.Sci.Med. 16, 1982, pp 1719-1723 [11]Veltheer J.W. "Een bepaald facet van de bloedtransfusie" Ned.T.Geneesk. 106, 1962, pp 2455-6 [12]Ned.T.Geneesk. 111, 1967, pp 950-4, 1263 [13]Gemengde commissie ter bestudering van het probleem "Weigering van bloedtransfusie door Jehovah's Getuigen". De Weigering van de bloedtransfusie door de Getuigen van Jehovah. Amsterdam, 1969, p. 17,20,30. (stencil) [14]Medisch Contact 43, 1988, p. 1230 [15]Volgens opgave van het Ministerie van Justitie. [16]WT 1 okt '66 [17]Gise L.H. e.a. Medical Psychiatric Rounds on a Gynecologic Oncology Service: End-Stage Cervical Carcinoma in a Jehovah's Witness Refusing Treatment General Hospital Psychiatry 11, 1989, pp. 372-376 [18]Nederlands Dagblad 24 apr '87 [19]Medisch Contact 32, 1977 p. 1598, mijn cursivering. [20]Medisch Contact 33, 1978, pp 270,2, 298 [21]Ontwaakt!, 8 sep '90 [22]De Volkskrant 10 mei '88 [23]Vertroosting okt '46, p.18 [24]Vrij Nederland, 1 sep '90 [25]Deze is ontleend aan Redeneren aan de hand van de schrift, Watchtower Bible and Tract Society (hierna WBTS), 1985, p.81. Dit boekje anticipeert speciaal op tegenwerpingen en bezwaren van de kant van huisbewoners tegen de leerstellingen van het Genootschap. [26]Blood, Medicine and the Law of God, WBTS, 1961, p.8 [27]The Golden Age, 5 jan '29, 4 feb '31, mijn vertaling. [28]Douma J. en W.H.Velema Polio: Afwachten of Afweren Amsterdam, 1979; Smith F.B. The People's Health, 1830-1910 London, 1979, pp 158-168. [29]Macmillan A.H. Faith on the March Englewood Cliffs, 1957, p.188; Whalen W.J. Armageddon around the Corner. A Report on Jehova's Witnesses New York, 1962, p.186 [30]Penton M.J. Apocalypse Delayed. The Story of Jehovah's Witnesses. Toronto, 1985, p.66 [31]Buber M. Under Two Dictators London, 1949, p. 236 [32]WT 1 dec '49 p.368; WT 15 mei '50 p.159, Engelstalige uitgaven. Kennelijk hadden sommigen de indruk dat ook vaccinaties gerelateerd waren aan de geslachtsdaad. Zie Vergewist U van alles, WBTS, 1958, p.61. [33]Zie WT 1 Okt. '66, pp 590,1 en Eeuwig leven in de Vrijheid van de Zonen Gods WBTS 1968, p. 338 [34]Apocalypse Delayed, p.154; Jaarboek van Jehovah's Getuigen 1980, WBTS, p.155 [35]Blood, Medicine......, p.54 [36]Farr A.D. God, Blood and Society Aberdeen, 1972, pp 99,100. Eén van de weinig goede en objectieve beschrijvingen van alle implicaties van het transfusieverbod. [37]Martin W. & Klann N. Jehovah of the Watchtower Minneapolis, 1974, p.99; El País 19 apr '90. [38]WT 1 maart '59, p.159 [39]In de Engelstalige regio waar De Wachttoren verscheen was dit al vanaf 15 januari van kracht, omdat deze regel toen in de originele Amerikaanse versie verscheen. Tot 1985 is er altijd enige maanden "vertaalachterstand" geweest. [40]WT 1 maart '65, 15 sep '78 [41]Franz R. Crisis of Conscience Atlanta, 1983, pp 106,7, mijn vertaling. [42]respectievelijk in How Can Blood Save Your Life, WBTS 1990, p.6 en WT 1 sep '86, p.25. [43]Ontwaakt! 8 okt '88, p.15 [44]Dhr. Smit van de Nederlandse Vereniging van Hemofiliepatiënten noemde mij het geval van een kind van Jehovah's Getuigen, dat als gevolg van het gebruik van bloedproducten AIDS had gekregen .[45]WT 1 dec '61, 1 aug '62 [46]respectievelijk 27 nov 1981, 246, pp 2471,2 en 1988, 88, pp 463-4 [47]Bloed-Beeld Nieuwsbrief jaargang 1, #2, Stichting Rode Kruis Bloedbank, Utrecht, 1990, p.5. [48]Sommige Getuigen zochten de rationalisatie van de moeizame verdediging van hun geloofsgenoten in de montage van de uitzending, als zouden relevante uitspraken eruit zijn geknipt. Een verzoek van mij aan de redactie om het ongemonteerde materiaal te zien was niet mogelijk, omdat volgens de programmamakers de banden ondertussen voor andere doeleinden waren gebruikt. Dat de Getuigen, in tegenstelling tot hun doorgaans meer doortastende optreden bij de huis-aan-huis prediking, hier aanzienlijk minder welbespraakt overkwamen, kan veroorzaakt zijn door een voor hen betrekkelijk onbekende "definitie van de situatie": niet zìj domineerden de interactie, maar Henk Mochel. [49]In feite analoog met een opmerking in de Engelstalige Ontwaakt! van 8 maart '68, dat de wettelijk vertegenwoordiger van een kind van Getuigen, dat tijdelijk uit de ouderlijke macht is ontzet teneinde bloedtoediening mogelijk te maken, ook maar moeten opdraaien voor alle medische kosten, die deze behandeling met zich meebrengt. [50]Onze Koninkrijksdienst nov '87, p.3. Dit maandelijks door het Genootschap uitgegeven bulletin is slechts bedoeld voor intern gebruik onder de Getuigen, en richt zich met name op predikingsstrategieën. [51]Onze Koninkrijksdienst, nov '90, p.6. Oorspronkelijke typografie [52]Galanter M. Cults. Faith, Healing and Coercion. New York, 1989, p.93 [53]Deze theorie is gebaseerd op het befaamde onderzoek onder een groep mensen, die ervan overtuigd was dat de wereld binnenkort zou vergaan en dat ook uitgebreid verkondigden. In tegenstelling tot wat iedereen verwachtte, namelijk het uiteenvallen van de groep na de verwachte onheilsdag, volhardden de aanhangers juist in hun bekeringsijver. Zie Festinger L. e.a. When Prophecy Fails, Minneapolis, 1956. Een toepassing van deze theorie op de zgn. "1975"-profetie van de Getuigen is mijn artikel "It Separated the Wheat from the Chaff": the '1975' Prophecy and its Impact among Dutch Jehovah's Witnesses" Sociological Analysis 50, 1989, pp 23-40. [54]"Omdat mensen niet zozeer zin-gevers alswel zin-nemers zijn, is het reëler te spreken over "zinnemingssystemen" (i.t.t. zingevingssystemen", aldus stelling 7 bij Sipco Vellenga's proefschrift Een ond | |