Over sekten wordt straffeloos gebazeld 


 

 

Je zult maar kind zijn van ouders die lid zijn van sekte. Het maakt niet uit of vader en moeder hun zielenheil hebben gevonden bij de Scientology kerk, de Jehovah's Getuigen of Hare Krishna: een opvoeding in dit soort religieuze bewegingen deugt niet en kan alleen maar tot mankementen in de ontwikkeling van de persoonlijkheid leiden. Tenminste, als de jeugdigen het geloof van pa en ma trouw blijven. Stappen ze eruit, dan komen ze ook in de problemen. Alleen langdurige therapieën kunnen de psychische stoornissen verhelpen.

Dit is zo ongeveer de essentie van een zojuist verschenen boek van de Duitse pedagoog Eimuth. De schrijver, hoofd van een 'Evangelische Arbeitsstelle für Religions- und Weltanschauungsfragen' gaat uit van het axioma dat een sekte een groep is die 'onethische' dingen doet. Tweehonderd pagina's later trekt de auteur de conclusie dat het op een bepaald terrein, in de opvoeding namelijk, binnen sektes ‘onethisch’ toegaat. Deze moeizame bewijsvoering is exemplarisch voor het hele boek. Dat is jammer, want juist een onderwerp als dit verdient een verantwoorde aanpak.  

Er mag dan inmiddels veel bekend zijn over het sektarisch gedrag van volwassen volgelingen, dat van hun kinderen is tot nu toe maar zeer spaarzaam onderzocht. Hoe zou het al die nakomelingen van de eerste Hare Krishna's, de Moonies en de Rajneeshes van Bhagwan uit de jaren '70 vergaan zijn? Wat heeft het voor ze betekend om jarenlang in een sociaal zo afwijkend milieu te worden grootgebracht? In welke mate nemen ze de religieuze ideeën van hun ouders over? Een paar geleden zijn de kinderen van de roemruchte Children of God (nu ‘The Family’) uitgebreid aan psychologische testbatterijen gelegd, maar daar kwam niets verontrustends uit. Integendeel, ze waren zelfs slimmer dan hun meer volgens de geldende norm opgevoede leeftijdsgenoten. Meer weten we domweg niet. 

Maar Eimuth wel. Bij de Hare Krishna's heeft opvoeding 'niets met opvoeding te maken'. Op scientoloogjes zijn de rechten van het kind niet van toepassing. En jongeren uit het milieu van Jehovah's Getuigen staan bloot aan psychologisch misbruik. Het doorgeven van ouderlijke waarden aan het nageslacht heet bij deze laatsten uiteraard geen opvoeding, maar “indoctrinatie”.

Dat klinkt allemaal zeer verontrustend en de lezer gaat onwillekeurig verwachten dat de pedagoog deze conclusies baseert op doortimmerd onderzoek. Welnu, Eimuth heeft geen sektekind gezien, laat staan getest. Wel heeft hij gelezen wat boze ex-leden te melden hadden, wat de kranten erover schrijven en wat de groeperingen zelf publiceren. Meer niet.

De gevaren van een dergelijk eenzijdige benadering zijn legio. Sociaal-wetenschappelijk onderzoek heeft al jaren geleden aangetoond dat verklaringen van verontwaardigde voormalige aanhangers in veel gevallen niet representatief zijn voor de gevoelens van hun mede ex-gelovigen. En het zijn juist de ellendeverhalen die altijd de media halen. Voor de Engelse godsdienstsocioloog Jim Beckford was dat recentelijk aanleiding de pers van vooringenomenheid te beschuldigen als het gaat om sekteverslaggeving.

Het materiaal vanuit de bewegingen biedt wellicht enig tegenwicht tegen ranzige krantenknipsels en kommervolle getuigenissen, zal Eimuth gedacht hebben. Dat doet het ook. Alleen wordt de ideale gelovige hierin afgeschilderd als iemand die zich voortdurend bezighoudt met de bovennatuur en de daaruit voortvloeiende godsdienstige verplichtingen en dus weinig oog heeft voor de realiteit van alledag. Ook dat is volgens Eimuth natuurlijk desastreus voor een evenwichtig opvoedingspatroon, want kijk maar eens naar die kinderen van Jehovah's Getuigen die altijd maar van huis-tot-huis aan het prediken zijn.

Nog los van het feit dat deze huidige jonge generatie daarvoor nauwelijks de straat op te krijgen is, zal degene die zich nader verdiept in de sektarische subculturen er na enige tijd achter komen dat de perfecte volgeling niet bestaat. Sommigen zijn orthodoxer in de leer dan hun leiders, anderen zijn nog lid omdat ze het er zo gezellig vinden ‘maar voor het geloof hoeft het niet meer’. Weer anderen liggen voortdurend in de clinch met het gezag binnen hun sekte omdat ze denken het beter te weten.

Het is deze diversiteit aan opvattingen die ook wordt doorgegeven aan het nageslacht. Zal het ene Jehovah's Getuigenouderpaar er geen probleem van maken als hun kind een versnapering aanvaardt van een jarige klasgenoot, anderen zullen daar anders over denken en zoon of dochter laten trakteren op een willekeurige dag in het jaar, zolang het maar niet op de verjaardag valt. Eimuth heeft zich om deze subtiliteiten niet bekommerd. Het resultaat is een aaneenrijging van sekteclichés die (uiteraard) alle bestaande vooroordelen en stereotypes bevestigen.

Op zich is dat niets uitzonderlijks, want van dit soort werkjes gaan er inmiddels dertien in een dozijn. Kwalijker is dat enkele Duitse kranten dit boek hebben aanbevolen als leidraad voor de zojuist geïnstalleerde regeringscommissie, die het reilen en zeilen van religieuze bewegingen bij onze oosterburen gaat onderzoeken. Misschien roept dat bij sommigen akelige herinneringen op. Paradoxaal genoeg dient men zich echter te realiseren dat de vijandige houding van kerk en staat in Duitsland tegenover religieuze minderheden mogelijk gevoed wordt door de sinds de Tweede Wereldoorlog heersende sociale fobie voor al te afwijkende en extreme ideologieën. Zowel de communisten ten tijde van het 'Berufsverbot' en de zieltogende Rote Armee Fraktion hebben er sinds kort onverwachte lotgenoten bij.

K-H. Eimuth, Die Sekten-Kinder. Freiburg, Verlag Herder, 239 blz.

(Trouw, 2 juli 1996)

Terug naar inleidende pagina

Intro
Heavens Gate
Hersenspoeling
Mormonen
Religie en Rechts
Scientology
Charisma
Branch Davidians
Snake Handlers
The Family
Oppositie
Duitsland
België
Bhagwan
Amish