Jehovah's Getuigen en het Nazisme (1)
| |
[Recensie van het proefschrift Zwischen Widerstand und Martyrium. Die Zeugen Jehovas im „Dritten Reich“, door Detlef Garbe, uitgegeven door Oldenbourg Verlag, München, (1993 en herziene uitgaven)]. Dit grondige proefschrift is de eerste uitvoerige verhandeling over het lot van de Jehovah's Getuigen (hierna JG) in Duitsland tijdens het Nazi-bewind. Gebaseerd op archiefonderzoek en interviews met overlevenden van de concentratiekampen presenteert de schrijver een uiterst gedetailleerde studie van een schokkende episode van religieuze vervolging. Het boek bestaat uit zes delen. In een inleiding schetst Garbe ontstaan en ontwikkeling van de Duitse tak van het Wachttorengenootschap (de overkoepelende organisatie van de JG). Deel twee vangt aan in 1933 en eindigt in 1935. Kenmerkend voor deze periode zijn met name de vergeefse pogingen van de beweging zich enigszins te schikken naar de eisen van het bewind teneinde de herhaaldelijke verbodsbepalingen te omzeilen. Deze fase is slechts de voorloper van de meedogenloze vervolging die vanaf 1935 plaatsvindt. De escalatie van dit conflict is beschreven in de delen drie en vier. De introductie van de militaire dienstplicht in 1935 en de weigering van de JG hieraan te voldoen, resulteerde in hun deportatie naar de concentratiekampen, terwijl hun afwijzing van de Nazi-instituties het begin betekende van hun economische vernietiging: de boycot van hun winkels, belemmering van werkgelegenheid, enzovoorts. In sommige gevallen penetreerde de staat ook in het gezinsleven door kinderen van hun ouders te scheiden en hen toe te vertrouwen aan gezagsgetrouwe medeburgers. Deel vijf concentreert zich op de oorlogsperiode. De schrijver besteedt speciale aandacht aan de JG-gewetensbezwaarden en de gruwelijke omstandigheden waarin zij, alsmede hun vrouwelijke geloofsgenoten, in de concentratiekampen verkeerden. Tevens gaat Garbe uitgebreid in op de factoren die aan het einde van de oorlog leidden tot een opmerkelijke verbetering van hun lot. In het laatste gedeelte tracht de auteur enige duidelijkheid te scheppen over het aantal JG-slachtoffers, waarvan de ramingen tot nu toe fors uiteenliepen. Volgens zijn berekeningen zijn er ongeveer 1600 JG, daarbij inbegrepen " 400 afkomstig uit de bezette gebieden, in de kampen om het leven gekomen. Van de 426 Nederlandse JG, die tijdens het bezet zijn gearresteerd en van wie er vermoedelijk 200 ŕ 250 naar de concentratiekampen zijn gestuurd, overleden er 117.
Hoewel het Nazi-bewind de JG en hun organisatie enkele zware slagen heeft toegebracht, is het er nooit in geslaagd hen volledig te verlammen. Garbe geeft ettelijke voorbeelden van de vindingrijkheid waarmee de gelovigen hun ondergrondse religieuze activiteiten voorzetten en van hun methoden hun principes niet te compromitteren. Uiteraard heeft oprechte overtuiging daarin een belangrijke rol gespeeld, te meer omdat in de meeste gevallen een verklaring, waarin de aanhanger afstand nam van het geloof, voldoende garantie was tegen verdere vervolging. Slechts het zetten van een handtekening betekende vrijlating uit het concentratiekamp, een aanbod waarvan slechts weinigen hebben gebruik gemaakt. Volgens de gesprekken die Garbe voerde met de overlevenden, blijkt echter dat de rigide sociale controle in de gemeenschap van de JG daarin een grotere rol heeft gespeeld dan de stem van het geweten. Het tekenen van het document, of dat nu werd ingegeven door economische noodzaak of louter de drang tot fysiek zelfbehoud, was in de absolutistische optiek van de medegelovigen heulen met de vijand. Op straffe van excommunicatie uit de religieuze gemeenschap en toekomstige bovennatuurlijke sancties, werd de wanhopige twijfelaar voortdurend gewezen op het belang van gehoorzaamheid aan de goddelijke regelgeving. Tenslotte was het lijden, of dat nu al dan niet de dood tot gevolg had, slechts een tijdelijke tegenslag op de weg die uiteindelijk naar het eeuwige paradijs voerde. Niet alle JG konden zich in een dergelijke fundamentalistische houding vinden, hetgeen binnen de concentratiekampen tot de nodige tweespalt heeft geleid. In die zin ontmythologiseert Garbe's studie dan ook de officiële historiografie van het Wachttorengenootschap, waarin de nagenoeg ideaaltypische interne eensgezindheid en de eeuwige strijd met de buitenwereld immer de boventoon voeren. Dat geldt nog in versterkte mate voor de periode 1933-1935. De overlevingsdrang van de organisatie was zo hevig, dat het Duitse leiderschap in nauwe samenwerking met het Amerikaanse hoofdkwartier, niet terugdeinsde voor enige, weliswaar ingetogen, antisemitische uitspraken teneinde het Hitlerbewind gunstig te stemmen. Ook dit historische fragment is tot nu toe niet in de eigen geschiedschrijving vermeld. De spreekwoordelijk compromisloze houding van de JG met de daaruit voortvloeiende neiging tot martelaarsgedrag - een term waar Garbe overigens vraagtekens bij zet, hoewel de JG zich daar zélf allerminst van distantiëren - is tekenend voor deze ontwikkelingsfase. Wie een halve eeuw later de collectieve identiteit van de gelovigen in ogenschouw neemt, kan niet anders constateren dan dat de historische wetmatigheid van de ontwikkeling van sekte naar kerk ook hier zijn intrede heeft gedaan: wat begint als religieus verzet tegen maatschappelijke instituties, evolueert na een generatie in onverschillige acceptatie ervan. Ondanks enige kanttekeningen die te plaatsen zijn bij Garbe's analyse, in het bijzonder zijn visie op de oorzaken van het conflict tussen Nazi's en JG, verdient dit (overigens zeer prijzige) boek het om als standaardwerk te worden opgenomen. Wellicht is het in dit herdenkingsjaar een stimulans voor de nog steeds braak liggende studie van de lotgevallen van de Nederlandse tak van deze geloofsgemeenschap, die in de nationale geschiedschrijving nog steeds een zeer bescheiden positie inneemt. (Tijdschrift voor Geschiedenis, nr 3, 1995, pp. 426-427) Klik hier voor een autobiografie van een slachtoffer en hier voor een uitgebreide bespreking over de situatie van de Jehovah's Getuigen onder het Hitler-regime. Beide pagina's zijn Engelstalig. | |