


|
Overzichtsartikel
Inleiding Weinigen zullen nooit geconfronteerd zijn met de Jehovah's Getuigen. Want opvallend zijn ze, deze zo op het oog vlijtige aankondigers van de 'Nieuwe Wereldmaatschappij'. Hun huis-aan-huis prediking, het verbod op bloedtransfusies, de massale jaarlijkse zomerbijeenkomsten, de strenge uitsluitingsregels, en de recente beschuldigingen van seksueel misbruik en het verdoezelen daarvan: het zijn enkele van de meest in het oog lopende kenmerken van hun collectieve identiteit waarmee ze zich met name sinds de Tweede Wereldoorlog een markante, maar ook omstreden plaats hebben verworven in het Nederlandse godsdienstige landschap.
Er is veel over de Jehovah's Getuigen (afgekort JG) en hun leer geschreven, vooral door de hen overkoepelende organisatie, het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap (vanaf nu WTG). Van de beide, in gemiddeld 150 talen, (waaronder exotische klinkende als het "Monokutuba" en het "Otetela") verschijnende halfmaandelijkse periodieken De Wachttoren en Ontwaakt!, die behoren tot de vaste uitrusting van de evangeliserende aanhang, worden anno 2003 ongeveer 95 miljoen exemplaren per maand gedrukt. De incidentele publicaties, die eveneens in miljoenenoplagen worden uitgegeven, niet meegerekend. Dat mogen indrukwekkende cijfers zijn, tegelijkertijd vormt deze lectuur vrijwel de enige bron, die zich in positieve zin over de JG en hun beweging uitlaat. De buitenwereld is namelijk aanzienlijk minder enthousiast over deze geloofsgemeenschap.
Beperken we ons tot hetgeen er in het Nederlandse taalgebied is verschenen c.q. vertaald, dan is de kritiek hoofdzakelijk afkomstig uit twee hoeken. In de eerste plaats vanuit een gevarieerd theologisch perspectief, waarin het accent ligt op oppositie tegen de doctrines van het WTG. (oa. Fijnvandraat 1987; LaRondelle 1964; Spier z.d.; van Assenbergh 1976). Gelijksoortig commentaar is ook verwoord te vinden in een nagenoeg onafzienbare reeks van boekjes, traktaten en hoofdstukken in verzamelbundels. In de tweede plaats is er veel materiaal afkomstig van teleurgestelde ex-aanhangers. In deze (auto)biografische verhandelingen ligt de nadruk op de conflicten met (voormalige) medegelovigen, die vooral zouden voortvloeien uit de organisatorische structuur van de beweging, ondeugdelijke leiderschap en foute leerstellingen. (Doyon 1980; Franz, 1998; Rosé 1990, 1991; de Ruiter 2001; Schnell 1958; Schoonvliet 1987; Wisse 1982). [1] Ook overige buitenstaanders zijn weinig vleiend over de JG, zoals het recente commentaar van de Belgische psycholoog Somers (1995) en een beschouwing over het WTG in België, dat deel uitmaakt van een boek van de Waalse journalist Lallemand (1994).
Neutraal getinte bronnen zijn aanzienlijk dunner gezaaid en hoofdzakelijk afkomstig uit het universitaire milieu. Op enkele details na, geeft de handzame inleiding van Hoekstra (1997) een redelijk objectief beeld van deze geloofsgemeenschap. Het proefschrift van Munters en zijn Engelstalige samenvatting vormen de eerste sociaal-wetenschappelijke studie van deze groepering in Nederland (Munters (1970, 1971). Singelenberg (1986, 1989, 1990, 1991, 1992, 1993, 1994, 1995, 2000 - zie aan het einde onder 'geraadpleegde literatuur' waarin links staan naar een aantal van deze publicaties) poogt deze aanzet, in combinatie met publicaties in het dagblad Trouw, te continueren. De Belgische antropoloog Leman heeft in zijn proefschrift over Siciliaanse gastarbeid in België, veel aandacht besteed aan de rol die de Italiaanse JG in deze migratiestroom spelen (Leman 1982).[[2]]. Aanmerkelijk meer objectieve studies zijn verschenen in het Engels. Aanmerkelijk meer objectieve studies zijn verschenen in het Engels. Voor wie deze taal goed beheerst, verwijs ik naar een recente studie van de Engelse socioloog Andre Holden. Een uitgebreide bibliografie is aan te treffen op de website van Rado Vleugel.
Hoewel er over valt te twisten, zijn wellicht ook de recente autobiografieën van Paulo van Vliet (1997, 2001) onder de noemer "objectief" te rangschikken. Deze documentaire romans geven een fraai inzicht in de belevingswereld van de Jehovah's Getuigen, maar niet op de vaak zo bijtende en rancuneuze wijze waarop menig ex-etuige zijn of haar verleden beschrijft. Van Vliet benadrukt juist de ogenschijnlijke paradox van afkeer en affectie jegens zijn voormalige religieuze milieu. Beide boeken zijn uitgebreid gerecenseerd en hebben veel media aandacht gekregen. Het eerste, "Uitgesloten", is zelfs verfilmd voor de televisie en uitgezonden door de NOS. Voor wie zich wil verdiepen in de Jehovah's Getuigen, zijn deze boeken een 'must'. Om in het geromantiseerde stramien te blijven: zelfs in de poëzie zijn ze op de bekende stereotype manier beschreven: |
|
|
|
Over JG is dus veel te schrijven. Een goed overzicht is te vinden op website van Rado Vleugel - zie boven. (Zo mogelijk nog omvangrijker is de bibliografie van Bergman (1999) waarin zo ongeveer de hele wereldliteratuur is vermeld over er wat door en over Jehovah's Getuigen is geschreven vanaf de tijd van Russell.) In het volgende overzicht beperk ik me in eerste instantie tot de doctrines en een korte beschouwing met de belangrijkste kritieken die deze leerstellingen hebben ontlokt. Vervolgens zal ik ingaan op de aanhang: in de eerste plaats een schets van de kwantitatieve ontwikkeling van deze gemeenschap, waarna de aandacht gericht zal worden op de belangrijkste activiteit: het prediken. Een historische schets laat ik achterwege. Daarvoor verwijs ik de lezer naar een publicaties van het WTG, Jehovah's Getuigen, Verkondigers van Gods Koninkrijk. Uiteraard is dit werk geschreven vanuit de visie van de JG en hun organisatie, waardoor partizaanse vertekeningen onvermijdelijk zijn. Daarom is het aan te raden naast dit werk de historische beschouwing van Penton (1985) te raadplegen alsmede het indringende relaas van Franz (1992, 1998). De specifieke geschiedenis van de JG in Nederland is eveneens opgetekend in de WTG-lectuur, en wel in het Jaarboek van Jehovah's Getuigen 1986. Ook hier dient de lezer zich bewust te zijn van selectieve geschiedschrijving.
De leerstellingen In de religieuze opvattingen van de JG staat centraal dat het einde van de wereld nabij is. We moeten daarbij niet denken aan een materiële destructie van de aarde, maar aan de vernietiging van de 'goddeloze mensenmaatschappij' (rs:31).[[3]]Volgens deze millennistische leer leeft de mensheid nu in de eindtijd, een aanloopfase tot de uiteindelijke Apocalyps. Het is een periode van ongekende calamiteiten die in 1914 is begonnen. Dit jaartal is geconstrueerd uit de aanname van de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs in 607 vGT, hetgeen een door God toegestane onderbreking inluidde van zijn heerschappij over zijn koninkrijk op aarde. Door te verwijzen naar de profetie in Daniël 4:23-25, blijkt dat deze stagnatie 'zeven tijden' zou voortduren, een periode die volgens Openbaring 12:6,14 equivalent is met 2520 dagen. Door het toepassen van de oudtestamentische regel 'een dag voor een jaar' en vervolgens te tellen vanaf 607 vGT, komen we dan uit in 1914. De JG nemen aan dat het koninkrijk Gods, onder leiding van Jezus Christus, in dat jaar in de hemel is opgericht. Hij heeft toen Satan uit de hemel verdreven en naar de aarde geslingerd, hetgeen heeft geleid tot een reeks van rampspoeden. In het bijzonder wordt door de JG gerefereerd naar Matthéüs 24, waarin de discipelen aan Christus vragen: 'Zeg ons: wanneer zullen deze dingen zijn en wat zal het teken zijn van uw tegenwoordigheid en van het besluit van het samenstel van dingen'. Wat die tekenen zijn, wordt duidelijk gemaakt in een recente publicatie van het WTG: oorlogvoering, hongersnood, pestilenties, wetteloosheid, milieuvervuiling, aardbevingen, materialisme, ongehoorzaamheid aan ouders, én wereldomvattende prediking van Gods koninkrijk (kl:102).
En dat laatste signaal is belangrijk, want, zo vervolgt het bijbelvers: 'Maar wie tot het einde heeft volhard, die zal gered worden. En dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën, en dan zal het einde komen'.[[4]] Deze periode van wereldomvattende ellende is echter van korte duur, want het in 1914 opgerichte koninkrijk in de hemel zal spoedig tot de aarde worden uitgebreid, nadat Satan en de zijnen uiteindelijk zijn verslagen in de slag van Armageddon. Daarna zal hij in de 'afgrond worden geworpen' en daar voor 1000 jaar worden opgesloten. Omdat het 'alleen maar redelijk is' dat de Jehovah's getrouwe aanbidders tijdens de Apocalyps niet vernietigd zullen worden, maken ze een goede kans de door Jezus en een klasse van 144.000 uitverkorenen geregeerde Nieuwe Wereldmaatschappij te betreden. Let wel, er staat niet dat alleen Jehovah's Getuigen gered zullen worden. In de lectuur zal men dat niet aantreffen, evenmin als de logische consequentie dat alle niet-JG vernietigd zullen worden. Dat individuele JG daar soms anders over denken, is volgens de WTG-leer onjuist. Zo maakte Arthur Winkler, de leider van de Nederlandse JG tijdens de Tweede Wereldoorlog, in een interview duidelijk dat 'Alleen wie een Getuige van Jehovah is, gespaard zal blijven, de anderen gaan de eeuwige dood in'.[[5]] Op deze 'nieuwe aarde' zullen de getrouwen tevens getuige zijn van de wederopstanding van hun gestorven medegelovigen en 'andere rechtvaardigen'. (w:15/2/95:17; re:297; mijn cursivering). |

|
De JG definiëren zichzelf als 'de wereldomvattende christelijke gemeenschap van mensen die actief getuigenis afleggen omtrent Jehovah God en zijn voornemens met betrekking tot de mensheid' (rs:216). Volgens de lectuur van het WTG was Abel de eerste getuige van Jehovah en Jezus de voornaamste (rs:219). De JG zijn van mening dat slechts het letterlijke aantal van 144.000 getrouwe christenen de zogenaamde 'kleine kudde' of 'bruidsklasse' uit Openbaring 14:1,3 naar de hemel zal gaan, en dat het overige gedeelte, de 'andere schapen', de hoop heeft op eeuwig leven op deze aarde.
In de doctrines van het WTG is God de God van het Oude Testament (de JG zullen het meestal niet over het Oude en Nieuwe Testament hebben, maar over respectievelijk de Hebreeuwse en Griekse geschriften). De term 'God' wordt beschouwd als een titel, 'net zoals "president", "koning" en "rechter" titels zijn, dus heeft God ook een naam, Jehovah, de persoonlijke naam van de enige ware God die hij zichzelf heeft gegeven' (pe:41; rs:208; kl:24). 'Iedereen vindt het prettig om een voornaam te hebben, dus God ook', aldus een JG tijdens een uitleg van dit principe, waarmee hij het antropomorfe concept van het godsbegrip benadrukte.
Hoewel ook het WTG toegeeft dat niemand de exacte uitspraak van de naam van God kent, gaat de organisatie ervan uit dat de naam Jehovah een van de mogelijke transcripties is van het oudtestamentische tetragrammaton JHWH [na:7]. Andere versies, zoals Jahwe, zal men uit de mond van een JG niet snel vernemen. God heeft een gedaante; hij is almachtig, alwetend, streng doch rechtvaardig, liefdevol doch wraakgierig, rationeel, inschikkelijk en meedogend (w:1/8/94; 1/11/94). Hij is vooral ook redelijk, want ook al staat het niet precies omschreven, hij zal zoals we hierboven zagen, waarschijnlijk rekening houden met de JG als het beslissende uur daar is. Kortom, in de terminologie van de theoloog Tillich is God de 'ultimate concern', datgene waar het de mens uiteindelijk om gaat. Hoe Jehovah God er echter precies uitziet, is niet bekend. Enerzijds heeft hij een mensengestalte, omdat de mens immers naar zijn beeld is geschapen, anderzijds heeft hij geen stoffelijk, maar wel een geestelijk lichaam. Hij is niet alomtegenwoordig, want zijn vaste woonplaats is in de hemel, op een troon (ad:665; pe:36).
Jezus Christus, de eerste van Gods scheppingen, is Gods zoon, doch staat niet aan hem gelijk. De JG richten zich in hun gebed niet rechtstreeks tot God, maar via Jezus. Hiermee bevinden ze zich tot op zekere hoogte in het grotere gezelschap van de unitariërs/arianisten, want de JG verwerpen de drie-eenheidleer.[[6]] De Amerikaan Charles Taze Russell, die ruim een eeuw geleden de beweging oprichtte op basis van de gedachten van William Miller, de geestelijke vader van de adventisten, verwierp de leer op louter rationele gronden: 'De drie-eenheidleer is onbegrijpelijk, en daarom gelooft niemand er ook echt in, omdat niemand kan geloven in iets wat onbegrijpelijk is (ssV:64)'. Jezus is de op één na hoogste persoon in het universum. Deze zoon is door Jehovah naar de aarde gezonden om zijn leven als losprijs voor de mensheid te geven en aldus de weg tot eeuwig leven te openen voor diegenen van Adams nageslacht die geloof zouden oefenen' (rs:225). Overigens is Jezus volgens de leer niet aan een kruis gestorven, maar aan de martelpaal.
De JG geloven niet in de onsterfelijkheid van de ziel. Ze gaan van het standpunt uit dat een mens geen ziel heeft, maar een ziel is. Volgens Genesis 2:7 werd de mens een levende ziel nadat God levensadem in de mens had geblazen. 'De mens was dus een ziel, net zoals iemand die dokter wordt, dokter is', aldus het analogon (pe:72). Als de mens sterft, sterft dus ook de ziel. Trouwens, de eerste mens, Adam werd geschapen tot een levende ziel, en nergens wordt vermeld dat hem een onsterfelijke ziel werd gegeven' (lg:72,3). Het ontkennen van de ziel impliceert dat de JG het bestaan van de hel ontkennen. De hel, die in de bijbel wordt genoemd - Sjeool of Hades -, verwijst volgens de leer naar het gezamenlijke graf van de gehele mensheid, van waaruit wederopstanding mogelijk is. De andere referentie, Gehenna, het hellevuur uit bv. Matth. 5:22, betekent geen eeuwige foltering, maar wordt gebruikt als symbool van eeuwige vernietiging. 'Het beeldt de tweede dood af, waaruit geen opstanding zal zijn' (pe:89). Maar bovenal wordt de doctrine verworpen omdat hij indruist tegen het idee van 'God is liefde': 'Zou een liefdevolle God mensen werkelijk voor eeuwig pijnigen? Zou u dat doen?', zo richt de lectuur zich tot de lezer die nog niet bereid is het vagevuur te verloochenen (pe:81).
Maar het meest opvallende kenmerk van de JG is hun prediking. Deze evangelisatiearbeid dient door iedere JG te worden verricht en vormt het meest essentiële onderdeel van hun godsdienstige identiteit. Het is een religieuze plicht, hen door zowel Jezus Christus als door Paulus opgelegd (Matth. 24:14, 2 Tim. 4:2). Wie niet predikt, is geen JG, aldus de logische consequentie van de eerder genoemde definitie die ze van zichzelf geven. Een niet-evangeliserende gelovige vormt 'geen deel van de organisatie' en 'heeft Christus niet lief', waarmee wordt aangetoond dat eventuele overige indicaties van religieuze toewijding voor een belangrijk gedeelte ondergeschikt zijn aan de predikingsactiviteit (w:1/8/68). Het verkondigen van het 'Goede Nieuws' vindt hoofdzakelijk plaats via huis-aan-huis prediking, de zogenaamde velddienst.
Niet alleen het millennistische accent rangschikt het WTG onder het christelijk fundamentalisme (Sandeen 1970:103), ook de overige karakteristieken benadrukken de orthodoxe identiteit van de beweging. In de eerste plaats bevat de bijbel geen fouten, ten tweede worden moderne theologische inzichten verworpen en in de derde plaats zijn degenen, die het religieuze standpunt niet delen, geen ware christenen (Barr 1977:1, 40). Het eerste kenmerk zien we terug in hun opvatting dat de bijbel Gods Woord is en de waarheid is. Deze laatste term duidt binnen de wereld van de JG op hun totale theologische systeem. Volgens de lectuur en de JG is 'de waarheid' een absoluut begrip, doch in de wereldse context drukt het WTG zich iets voorzichtiger uit. In artikel 3 van de statuten van de Nederlandse vestiging van het WTG staat omschreven dat 'Ieder kan Jehovah's Getuige worden, die de bijbelse waarheid zoals die door middel van het Genootschap wordt bekendgemaakt, aanvaardt en belijdt (...) [mijn cursivering]. Tevens is 'de waarheid' een indicator voor de toewijding van de individu. Een JG is 'in de waarheid', een geloofsgenoot die de kantjes ervan afloopt is 'niet goed in de waarheid'.
Omdat God onfeilbaar is, is de bijbel de waarheid. Het betekent niet dat alle teksten letterlijk geïnterpreteerd dienen te worden. Sommige gedeelten dienen of in symbolische, of in letterlijke zin te worden opgevat. Zo verwerpen de JG bijvoorbeeld het evolutionisme, maar ook het creationisme, volgens welke visie de aarde in zeven dagen geschapen is. Daarentegen worden de passages in het 15e hoofdstuk van het boek Handelingen, waarin de christenen wordt meegedeeld zich te allen tijde van bloed te onthouden, in de meest letterlijke zin en tot in de uiterste consequentie doorgevoerd: een JG accepteert geen bloedtransfusie.[[7]] Het WTG stelt zich op het standpunt dat de bijbel bij voorkeur op collectieve wijze en/of via de organisatie bestudeerd moet worden, want anders kan hij niet op de juiste wijze begrepen worden. De overheersende rol die de gemeenschap speelt in de geloofsbeleving van de JG boven die van de individuele gelovige, blijkt dan ook uit de uitspraak dat 'de bijbel toebehoort aan de Christelijke gemeente als organisatie en niet aan individuele personen' (w:15/1/68:43). Sterker nog, 'De Bijbel is in werkelijkheid het Boek van de zichtbare theocratische organisatie, en die 'heeft thans een wettelijk bevestigde dienstinstelling, het Watch Tower Bible and Tract Society' (w:15/11/54:340,344). |
|
Hedendaagse bijbelinzichten worden door het WTG verworpen. Modernismen als de bevrijdingstheologie (g:8/8/87) en herziene opvattingen die voortvloeien uit wetenschappelijke inzichten, zijn onacceptabel. Dat wil zeggen, voor zover ze strijdig zijn met de leer van de organisatie. Deze visie komt met name naar voren in de talloze publicaties waarin de evolutieleer aan de kaak wordt gesteld (ce; g:22/6/96). Het is dan ook niet voor niets dat het WTG in de behandeling van dit thema overvloedig citeert uit díe academische bronnen, die haar visie lijken te ondersteunen.[[8]]
Werd ten tijde van Russell alleen het 'Pausdom' gerekend tot Babylon de Grote, tegenwoordig worden alle andere godsdiensten, met de nadruk op animistische en spirituele praktijken en de rooms-katholieke Kerk, veroordeeld en gerekend tot het wereldrijk van valse religies (jv:52). Weliswaar voorziet het WTG een geleidelijke aftakeling van het rijk van Babylon de Grote, immers 'haar wateren drogen op' (re:239), anderzijds lijkt zich in identiek symbolische zin een waterbouwkundig mirakel te voltrekken, want recentelijk meldde de beweging dat 'in Noord- en Zuid-Amerika de kerken en kerkjes als paddestoelen uit de grond herrijzen' (w:15/4/96:11). De benaming 'christelijk', zoals die voorkomt in de definitie die de JG van zichzelf geven', achten zij alleen van toepassing op zichzelf: alleen een JG beschouwt zich als de ware christen, alleen een JG vertoont christelijk gedrag. De term 'christenheid', die veelvuldig in de lectuur voorkomt, is voorbehouden aan de overige denominaties binnen het christendom.
In deze fundamentalistische optiek bevat de bijbel voorts alle gedragsvoorschriften voor het dagelijks leven: homofilie en abortus worden verworpen, seksuele relaties zijn slechts toegestaan tussen gehuwden - voorbehoedmiddelen worden overigens geaccepteerd - , de man is hoofd van het gezin, roken, drugs, gokken en obsceen taalgebruik zijn verboden en alcoholhoudende dranken dienen slechts met mate te worden gebruikt. Verder vieren JG geen verjaardagen, omdat de bijbel zich daar negatief over uitlaat. Zo liet immers de jarige koning Herodes zich door zijn bevallige dochter verleiden om haar het hoofd van Johannes de Doper op een schotel te presenteren. Tevens houden de JG zich verre van het vieren van christelijke feestdagen, omdat men zich op het standpunt stelt dat deze een heidense oorsprong hebben en dus indruisen tegen het gezag van de bijbel. Datzelfde geldt ook voor de Sinterklaasviering, Moederdag en Nieuwjaar: ook deze festiviteiten zijn ontsproten uit voorchristelijke elementen en daarom is herdenking ervan taboe. Ook bemoeien ze zich niet met staatsaangelegenheden. 'Vriendschap met de wereld is immers vijandschap met God', aldus het vierde hoofdstuk van Jakobus.
In de praktijk komt dit neer op een neutrale opstelling jegens de overheid: men is gehoorzaam aan de wetten, zolang deze niet in strijd zijn met Gods voorschriften. Dat betekent dat de JG afzien van passief en actief kiesrecht, geen vlaggen uithangen, niet het Wilhelmus meezingen en niet deelnemen aan nationale feestdagen. Ten tijde van de militaire dienstplicht impliceerde dit dat ze totaalweigeraars waren, maar een artikel in De Wachttoren van 1 mei 1996 zette dit principe op losse schroeven.[[9]] In het stuk komt naar voren, dat vanaf nu het al of niet vervullen van de vervangende én gewone dienstplicht aan het geweten van de JG wordt overgelaten. Op deze opmerkelijke doctrinaire mutatie kom ik in het volgende gedeelte terug. Kenmerkend voor het totale 20e-eeuwse Amerikaanse millennistische milieu is de animositeit jegens de Verenigde Naties (Boyer 1992). Ook in de eschatologie van de JG speelt deze seculiere pendant van het WTG een belangrijke rol, voornamelijk vanwege de concurrerende positie op de markt van het zo moeizaam verkoopbare product wereldvrede: 'De natiën zagen niet naar Christus op, maar kenden een menselijke organisatie de rol van het koninkrijk Gods toe' (w:1/6/96). In de apocalyptiek van het WTG is de VN equivalent met het 'scharlakengekleurd wild beest' uit Openbaring 17:16. Volgens het bijbelboek zal dit monster, althans de 'gemilitariseerde horens' ervan, zich tegen Babylon de Grote keren en deze verwoesten. Die tendens is al ingezet, want 'het aantal atheïstische, antireligieuze elementen onder de leden van de VN is sinds de oprichting belangrijk toegenomen' (w:1/6/96). Het is dan ook zaak dat men zich zo snel mogelijk van deze foutieve religieuze instellingen distantieert.
Of het Genootschap in de praktijk de VN verwerpt, is een ander verhaal. Het is geen geheim dat AidAfrique, een Franse manteIorganisatie van het WTG die sinds de jaren '90 actief is op het terrein van humanitaire hulpverlening in Afrika, nauw blijkt samen te werken met UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN. [9a] Veel commotie ontstond in oktober 2001, toen het Engelse dagblad The Guardian onthulde dat het WTG in 1992 de status van niet-gouvernementele organisatie (NGO) binnen de VN had verkregen. Om een dergelijke status te verkrijgen, dient een organisatie op z'n minst het Handvest van de VN te steunen en de doelstellingen te onderschrijven. M.a.w., wat het Genootschap aan haar achterban verkondigde, was strijdig met de realiteit. Een paar uur na het verschijnen van het Guardian artikel, waren de websites van de tegenstanders roodgloeiend van verontwaardiging over deze inconsistentie. Tegelijkertijd vroegen verbouwereerde leden zich op in talrijke virtuele discussiegroepen af wat hier aan de hand was. Ook bleek dat de nationale woordvoerders van het WTG - zoals in Emmen - geen adequate verklaring hadden voor dit voorval - áls ze al op de hoogte waren van de NGO-status. Als reactie maakte het WTG in een brief naar alle nationale vestigingen duidelijk dat de NGO-status slechts was aangevraagd om toegang te krijgen tot de bibliotheek van de VN en dat de randvoorwaarden niet van toepassing waren ten tijde van de aanvraag. Dat laatste bleek onjuist. Enkele dagen na publicatie van het artikel in The Guardian trok het Genootschap haar NGO-status in. Tot op de dag van vandaag (2006) woedt de discussie voort. Zie link. Van fundamenteel belang in het doctrinaire stelsel is de overkoepelende organisatie, de Watchtower Bible and Tract Society of Pennsylvania of, in de woorden van de JG, Jehovah's organisatie. 'Jehovah heeft een aards huisgezin, of aardse organisatie, teneinde zijn werk te volbrengen, een organisatie die de belangrijkheid van zijn naam beseft en deze op elke wijze tracht te eren' (ks:144). De beweging acht zich gemodelleerd volgens de hiërarchische structuur van de eerste christelijke gemeenten, zoals omschreven staat in het 15e hoofdstuk van Handelingen. De individuele JG is van mening dat hij of zij deel uitmaakt van deze organisatie en derhalve onderworpen aan de regels van zijn 'godsregering'. Het WTG beschouwt haar organisatorische gezag even groot als dat van de bijbel: 'Wie weigert de uit Jehovah's Woord of van zijn organisatie afkomstige raad ter harte te nemen en de terechtwijzing in de wind slaat, verwerpt de raad van de Almachtige God' (w:1/7/58).
Al eerder is geschetst hoe de het WTG de relatie tussen organisatie en begrip van de bijbel percipieert. Ten tijde van het bewind van Russell werd de lectuur van het WTG hoger aangeslagen dan de bijbel: wie zich louter zou beperken tot de bestudering van Russell's Studies in the Scriptures, zou meer van de schrift begrijpen dan indien hij zich alleen tot de bijbel zou wenden (w:15/9/10, Engelse ed.). Dat vloeide waarschijnlijk voort uit Russell's status, immers wie zijn gezag niet accepteerde, 'verwierp ook Jezus Christus' (w:1/5/22, Engelse ed.). Het totale conglomeraat van doctrinair stelsel en organisatie wordt door de JG aangeduid als 'theocratie'. Ook dit begrip heeft in het JG-spraakgebruik een betekenis die nauw verwant is met 'de waarheid'. Richt de waarheid zich meer op de religieuze toewijding van het individu, 'theocratisch' heeft betrekking op gehele subculturele repertoire van de groepering. Theocratisch gedrag wordt weliswaar ontleend aan bijbelse voorschriften en goddelijke onderwerping, dus aan de 'waarheid', maar heeft ook betrekking op handelwijzen die minder duidelijk schriftuurlijk zijn vastgelegd. Bij een JG die geen stropdas draagt tijdens het bezoek aan een godsdienstige bijeenkomst, zullen al snel vraagtekens worden gezet achter zijn juiste theocratische gezindheid.
We zien hier een verzameling leerstellingen, die niet uitzonderlijk zijn. Sommige zijn in identieke of enigszins gewijzigde vorm ook aan te treffen in andere religieuze groeperingen. Zo is een sterke theologische verwantschap te constateren met de voormalige doctrines van Herbert Armstrong's Wereldwijde Kerk van God.[[10]] Dat geldt zelfs voor het zo uniek geachte bloedtransfusieverbod: een kleine Amerikaanse sekte, The Brethren of the Messiah, hanteert dezelfde regel (Bergman z.d.:68). |
|
De kritiek Van vele kanten is het WTG aangevallen op een aantal omstreden doctrines en de consequenties van de organisatorische structuur op de individuele volgeling. Ook dit is verre van een unieke eigenschap in de totale reeks van kenmerken van talloze hiërarchisch geleide fundamentalistische religieuze bewegingen. De controverse wordt mede veroorzaakt door het feit dat het doctrinaire stelsel van de JG weinig stabiliteit kent. Wie kennis neemt van het ideeëngoed van stichter Russell ten tijde van de eeuwwisseling, zal maar weinig herkennen van de huidige leerstellingen.[[11]]
Met name dit kenmerk wordt door tegenstanders en critici vaak aangegrepen als indicator van wat een ondeugdelijk geloofssysteem genoemd wordt. Het WTG daarentegen wijst steevast op Spreuken 4:18: 'Het pad van de rechtvaardigen is als het glanzende licht, dat steeds helderder wordt tot de dag stevig bevestigd is', hetgeen in de ogen van de beweging een bijbelse legitimatie is voor de herziening van eerder ingenomen standpunten. In drie artikelen, die speciaal aan het onderwerp doctrinewijziging zijn gewijd wordt deze bijbeltekst nader toegelicht: 'Indien de totale omvang van schriftuurlijke waarheid in één keer geopenbaard was, zou het zowel verblindend als verwarrend zijn geweest - zo ongeveer als de uitwerking van helder zonlicht op iemand die uit een donkere grot stapt. Bovendien wordt door geleidelijk geopenbaarde waarheid het geloof van christenen aanhoudend versterkt' (w:15/5/95). Dat moge zo zijn, de feiten leren echter dat doctrinewijzigingen zich niet in een vacuüm voordoen; doorgaans zijn het externe, wereldse omstandigheden die het WTG nopen tot een herinterpretatie van haar bijbelse zienswijze. In het volgende gedeelte zullen enkele voorbeelden aan de orde komen.
De 1914-leerstelling is gekozen omdat het jaartal een belangrijk chronologisch fundament vormt onder het millennistische stelsel van het WTG. Tegelijkertijd is de doctrine onderhevig geweest aan herinterpretaties. Tevens blijkt dat het geschiedkundige materiaal, dat het jaartal enige legitimiteit zou moeten verlenen, uiterst omstreden is. In de tweede plaats 1975: de gebeurtenissen rond dat jaar zijn een typisch voorbeeld van, zoals dat in de literatuur over profetische bewegingen wordt aangeduid, een 'prophecy failure'. Vervolgens zal ik kort ingaan op het bloedtransfusieverbod vanwege het maatschappelijk controversiële karakter. In de vierde plaats komt de leerstelling over de 144.000 aan bod als voorbeeld van doctrinaire inconsistentie. Het vijfde voorbeeld is van zeer recente aard, namelijk de wijziging van de dienstplichtregels. Hieruit komt naar voren hoe het WTG leerstellige veranderingen en organisatorische strategieën zorgvuldig op elkaar afstemt, zonder dit evenwel te expliciteren. De wijze waarop het WTG regelmatig moet laveren tussen het door haar gewenste religieuze gedrag van de aanhang en de wereldse realiteit, komt in twee voorbeelden als laatste aan de orde.
1914 Een belangrijke controverse richt zich op de 1914-doctrine. Dat begon met de voorspelling van Russell, die ruim een eeuw geleden profeteerde dat het einde van de wereld zich in 1914 zou voltrekken (ssII:99). Toen het voorzegde einde uitbleef, werd de betekenis van het jaartal geherinterpreteerd tot de huidige exegese: Jezus begon in 1914 zijn regering over het koninkrijk en het aftellen tot de uiteindelijke Apocalyps ving toen aan. Tot het einde van 1995 was '1914' ook gerelateerd aan een leeftijdsgeneratie. De uitspraak in Matth. 24:34 'Voorwaar, ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles is geschiedt', betekende in de uitleg van het WTG dat degenen die in 1914 leefden, het einde der tijden zouden meemaken. Met gebruikmaking van de 'nieuw licht' formule uit het vierde hoofdstuk van Spreuken, is deze doctrine in De Wachttoren van 1/11/95 verworpen. Theologisch werd de wijziging gelegitimeerd door de herdefiniëring van het begrip 'generatie', aan de praktische aanleiding tot deze herziening zal ongetwijfeld de doctrinaire implicatie ten grondslag liggen dat het moment van de slag van Armageddon in principe binnen zekere tijdgrenzen te dateren is: de generatie van 1914 begint immers aardig op leeftijd te komen.
Afgezien van deze leerstellige mutaties, kleeft er tevens een fundamenteel probleem aan de berekening die aan '1914' ten grondslag ligt. Niet alleen is de constructie van de 2520 jaren op basis van uiteenlopende bijbelse fragmenten - een overigens gangbare calculus in het Amerikaanse millennistische milieu (zie Boyer 1992:88) - uitermate arbitrair, de werkelijk zwakke plek is de aanname van de verwoesting van Jeruzalem in 607 vGT. De veronderstelde gebeurtenissen in dat jaar, uitgangsdatum voor de 2520 jaar, vinden namelijk onder godsdiensthistorici en archeologen geen enkele bevestiging.[[13]] Vooralsnog is '1914' echter een onmisbaar bestanddeel in de eschatologie en een van de belangrijkste steunpilaren onder het totale theologische bouwwerk.
1975 Een tweede controverse ontstond in en na 1975. Sinds de tweede helft van de jaren '60 zinspeelde het WTG frequent op een apocalyptische catastrofe die in de herfst van 1975 zou losbarsten. De essentie van deze suggestie kwam voort uit de aanname dat Adam in 4026 vGT geschapen was, hetgeen impliceerde dat de eerste 6000 jaren van het menselijk bestaan in 1975 zouden eindigen. De cruciale vraag was of deze periode correspondeerde met Gods 'rustdag', om te worden vervolgd met het zevende millennium van Gods regering (li:24-31).
De fundamentele gedachte die hieraan ten grondslag lag, was een vergelijking met het oudtestamentische Jubeljaar: een periode van voorspoed - het millennium - die voorafgegaan wordt door een fase van tegenslag. De scheidingslijn tussen beide zou de beslissende slag van Armageddon markeren. Reeds in 1920 had Rutherford, de opvolger van Russell, eveneens van deze constructie gebruik gemaakt. Dat leidde tot het proclameren van 1925 als het einde der tijden (Millioenen..:73,74). Weliswaar heeft het WTG ten aanzien van '1975' dit jaartal nooit expliciet als het einde der tijden benoemd, maar de suggestieve toonzetting in de publicaties, de veelvuldige verwijzingen naar de betekenis van het jaartal en de uitspraken van leidinggevende functionarissen binnen de organisatie, leidden tot ongekend hoge gespannen verwachtingen onder de aanhang en een ongekende groei van het aantal aanhangers. (Singelenberg 1989). Ondanks een doctrinaire herinterpretatie die het falen van de '1975'-theorie verklaart (w:1/1/76, 15/10/76), heeft dit niet kunnen voorkomen dat tallozen de beweging teleurgesteld hebben verlaten. Deze aanvankelijke groei en afname is goed te zien in de grafiek. Onder hen bevonden zich ettelijken, die zeer verontwaardigd waren over de wijze waarop het WTG zich in eerste instantie distantieerde van de consequenties van deze quasi-profetie (w:15/10/76; Franz 1991:475-477; 1992:198-222; Wisse 1982). Pas vijf jaar later heeft de top zich alsnog verontschuldigd voor deze, voor de aanhang zo hoopgevende, uitspraken (w:15/6/80; yb80:30). Ook is via een doctrinaire herziening definitief een einde gemaakt aan het speculeren over de profetische betekenis van het Jubeljaar (w:1/1/87).
Na het debacle van '1975' is het duidelijk, dat het WTG zich op geen enkele wijze wil compromitteren ten aanzien van uitspraken over eschatologische dateringen.[[12]] Toch deed zich in 1989 nog een klein incident voor. In De Wachttoren van 1 januari van dat jaar wordt gesteld dat de apostel Paulus met zijn zendingsactiviteit 'het fundament had gelegd voor een werk dat in onze twintigste eeuw voltooid zou worden' (w:1/1/89:12, losse uitgave, mijn cursivering). De doctrinaire gevolgtrekking hieruit is evident en is waarschijnlijk te wijten aan een combinatie van een ál te enthousiaste auteur en een opmerkelijke redactionele misser. Vandaar dat in de ingebonden uitgave van deze jaargang, die in het daaropvolgende jaar te verkrijgen is, de urgentie van deze hoopvolle melding enigszins wordt getemperd: de omschrijving 'twintigste eeuw' is hier vervangen door 'dagen' (w:1/1/89:12, ingebonden editie). |
|
Bloedtransfusie Een derde omstreden leerstelling is het bloedtransfusieverbod. (Daarop ga ik hier niet gedetailleerd in. Klik daarvoor op het kopje) Hoewel de controverse, met name als gevolg van de relatie tussen bloedtransfusie en AIDS, minder fel is geworden, heeft de berichtgeving in de media naar aanleiding van sterfgevallen die rechtstreeks het gevolg lijken te zijn van een transfusieweigering, doorgaans nog steeds een sensationele ondertoon. Vorderingen in de medische technologie op het terrein van bloedvervangende middelen, alsmede de toenemende erkenning van het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt, zullen waarschijnlijk bijdragen aan een voortgaande vermindering van het omstreden karakter van deze doctrine. Problematisch evenwel blijft vooralsnog het gezag van JG-ouders over hun minderjarige kinderen, die op medische indicatie een transfusie nodig hebben. In hoeverre iedere JG ook daadwerkelijk de consequentie uit de doctrine zal trekken, is niet geheel duidelijk. Hoewel het WTG het dragen van het weigeringscodicil door de individuele JG niet verplicht stelt - 'indien men de bescherming [tegen bloedtransfusie] wenst, kan men die krijgen door de kaart [i.e. het codicil] in te vullen' (km:1/96, mijn cursivering) - klonk toch enige verontrusting toen tijdens een steekproef in een gemeente bleek, dat een op de vijf JG dit document niet bij zich had, terwijl geen enkel kind het bij zich droeg' (km:1/93).
144.000 In de vierde plaats is er van de zijde van talloze buitenstaanders veel kritiek op de leerstelling van de uitverkoren klasse van 144.000, het 'lichaam van Christus'. Gebaseerd op een letterlijke uitleg van Openbaring 7:4 en 14:1, gaat het WTG ervan uit dat God 144.000 getrouwe gelovigen heeft geselecteerd, die, beginnend bij de eerste christenen, na hun dood in de hemel zijn herrezen en aldaar met Jezus Christus de aanstaande paradijsaarde regeren. Ook uit de gelederen van de JG is een bevoorrechte groep gekozen. De theologische kritiek richt zich op het feit dat het WTG ervan uitgaat dat God kennelijk twee soorten christenen voor ogen heeft en daarom een elite annex klassenmaatschappij in het leven zou hebben geroepen, louter en alleen gebaseerd op een zeer aanvechtbare interpretatie van enkele bijbelverzen.
Het WTG neemt aan, dat de 'bijeenvergadering' van de 144.000 in 1935 voltooid schijnt te zijn, want toen initieerde Rutherford deze klassenscheiding in de beweging. Volgens de exegese zouden er zich daarna eigenlijk geen nieuwe gezalfden aan de nog in leven zijnde groep, het 'overblijfsel', kunnen toevoegen, tenzij bij uitstoting; in zo'n geval kon de opengevallen plaats door een andere JG worden ingenomen, maar dat zou slechts zelden voorkomen (uw:112). Volgens demografische statistieken zou men logischerwijs mogen verwachten dat het aantal gezalfde JG in de loop der jaren afneemt. In grote lijnen is die trend inderdaad aanwezig, maar dat de geloofspraktijk op sommige details opmerkelijk van de exegese afwijkt, wordt duidelijk uit de grafiek in figuur 1. In 1995 waren er van het overblijfsel op wereldwijd niveau nog ruim 8600 personen in leven. Duidelijk is te zien, welke invloed de '1975-voorspelling' heeft gehad: in die voor velen zo spannende en hoopvolle jaren moeten talloze JG kennelijk een 'hemelse roeping' gevoeld hebben, liever dan zich te scharen in de rijen van hun geloofsgenoten en zich tevreden te stellen met een meer bescheiden positie in het aardse paradijs. Ook in latere jaren zien we deze exegetische anomalie terug. Maar het meest opmerkelijke is de volstrekt tegendraadse ontwikkeling in Nederland: het aantal 'gezalfden' bedroeg hier in 1989 132, een groei van maar liefst 150% vergeleken met 1958, het jaartal waarin deze gegevens voor het eerst voor Nederland werden gepubliceerd. Ook het WTG is zich kennelijk bewust van deze doctrinaire onregelmatigheid, hetgeen wellicht de reden is de nationale omvang van deze categorie de laatste jaren niet meer te publiceren.[[14]]
Een tweede opmerkelijke eigenschap van de 144.000-leerstelling is het mystieke karakter ervan, temidden van een zo strikt rationeel geloofssysteem. Er is namelijk geen enkele empirische fundament aanwezig, op basis waarvan een JG zich al dan niet tot deze uitverkoren klasse kan rekenen. De enige wijze waarop zij kenbaar maken tot de 144.000 te behoren, is het deelnemen aan de jaarlijkse Gedachtenisviering. Dit is het aan Pasen voorafgaande Avondmaal, het enige rituele feest van de JG. Alleen zíj zullen de wijn drinken en het ongezuurde brood eten, de rest van de aanwezigen laten deze symbolen onaangeroerd.[[15]] Maar een JG pretendeert natuurlijk nogal wat indien hij of zij een slok wijn drinkt en van het brood eet, immers deze persoon beweert in feite tot de uitverkoren hemelse categorie te behoren. Hoe weet die JG dat? Welnu, dat voelt men. Zo iemand kan dat alleen maar voor zichzelf weten. 'God had dan een heel groot verlangen naar de hemel in zijn hart geplant en daardoor ontwikkelde zijn leven zich zodanig, dat hij tot die geestelijke klasse van hemelse mensen met Christus mocht behoren' (Spier z.d.:9).
Mocht een JG dergelijke gevoelens hebben, dan doet hij of zij er goed aan deze sentimenten grondig te onderzoeken. Immers, 1935 lijkt min of meer de sluitingsdatum voor de hemelse aanmelding, dus de motivaties van iedere nieuwe gegadigde worden met argwaan bekeken. 'Het zou een vergissing zijn te concluderen dat iemand vanwege zijn innige waardering voor diepere geestelijke dingen of omdat hij ijverig is in de velddienst of intense liefde voor zijn broeders heeft, dus wel een met de geest gezalfde christen moet zijn' (uw:114). Dat geldt des te meer voor jongeren, zoals die jonge 'zuster' van 17 jaar, een paar jaar geleden in een gemeente in Gouda. Of nieuwe aanhangers: mogelijk wordt de geest van de kandidaat-gezalfde nog verward door voormalige verkeerde religieuze denkbeelden: 'Welke reden hebt u om te denken dat Jehovah God deze hoop in u heeft geplant? Zou uw emotionele gevoel een overblijfsel kunnen zijn van het onjuiste gevoel waaraan u vroeger vasthield toen u in Babylon de Grote was, namelijk dat de hemel de bestemming van alle goede mensen is?' (w:15/2/82). Of is het een kwestie van ambitie, aanzien en zelfzucht, 'een gevoel dat men meer verdient dan anderen?' Of is er misschien sprake van emoties als gevolg van persoonlijke problemen?' (w:1/4/96). Wie het aan een JG vraagt, krijgt vaak als antwoord dat deze medebroeders of -zusters vaak een beetje 'apart' zijn, soms niet 'helemaal van deze wereld'. Volgens Franz zijn velen inderdaad zeer emotionele mensen. Gezalfde JG uit Frankrijk, bijvoorbeeld, blijken doorgaans 'zeer merkwaardige' personen te zijn. In Afrika liep op een gegeven moment het aantal gezalfden zo uit de hand, dat het WTG aan kandidaat-dopelingen alsnog een serie vragen voorlegde om er zeker van te zijn dat ze een duidelijk begrip hadden van de doctrines (Franz, briefwisseling). Het maakt in ieder geval het huwelijk eenvoudiger. De eerder genoemde Winkler, die zich tot de uitverkoren klasse rekende, was in het huwelijk getreden met een eveneens gezalfde vrouw. 'Zou dat niet zo zijn geweest', aldus Winkler, 'dan zou het niet tot een huwelijk tussen ons gekomen zijn. Ik daar ..... zij hier ..... is nu niet bepaald een prettige en ideale toestand'.[[16]] In een geloofssysteem waarin exegetische ambivalentie vrijwel is uitgesloten, is het opmerkelijk dat het WTG deze doctrinaire inconsistentie handhaaft. De leerstelling maakt duidelijk dat in 1935 de kandidatuur voor de 144.000 is afgesloten, anderzijds blijkt het in de praktijk niet mogelijk te zijn JG ervan te weerhouden hun hemelse roeping alsnog kenbaar te maken, ondanks een niet mis te verstaan ontmoedigingsbeleid van de zijde van de organisatie. |
|
Relaties met 'de wereld' Elders ben ik uitgebreid ingegaan op de geschiedenis van de JG jegens de militaire dienstplicht en het opmerkelijke beleid van de Nederlandse overheid hen de facto als totaalweigeraars te erkennen (Singelenberg 1994). Door de afschaffing van de dienstplichtwet is dit aspect voor de JG in Nederland uiteraard irrelevant, maar dat geldt niet voor hun medegelovigen elders in de wereld. Tot voor kort waren JG totaalweigeraars. De Wachttoren van 1 mei 1996 maakt echter duidelijk dat het al of niet weigeren van zowel de gewone als de vervangende dienstplicht voortaan aan het geweten van de individuele JG wordt overgelaten. Speciaal wordt daar nog bij aangetekend dat indien iemand besluit alsnog de vervangende dienstplicht te vervullen, alle gemeenteleden dit besluit dienen te respecteren en 'hem te blijven beschouwen als een christen die een goede reputatie heeft'.
Vóór 1 mei impliceerde een dergelijke stap, dat de betrokkene zijn christelijke neutraliteit had geschonden. Aan de gemeente werd dan bekendgemaakt dat de overtreder zich uit de gemeente had teruggetrokken, hetgeen tot gevolg had dat hij niet langer beschouwd zou worden als een medegelovige en voortaan gemeden diende te worden (ks91:140,141). Dat de regeling met betrekking tot de vervangende dienstplicht nu is veranderd, is niet zo verrassend. Het Besturend Lichaam had in de loop der jaren talloze vragen over deze materie gekregen, waaruit duidelijk naar voren kwam dat menigeen grote vraagtekens zette achter de rationale van deze doctrine: waarom de gevangenis in omdat men om leerstellige redenen geen vredelievende werkzaamheden mag verrichten als bv. ziekenverpleger? (Franz 1991:256-270; 1992:101-103). Het is mogelijk dat de top gevoelig is geworden voor de gevoelens van de achterban, maar er is meer aan de hand.
Want ook ten aanzien van de gewone dienstplicht wordt in het artikel gesteld dat de betrokkene 'op grond van zijn door de bijbel geoefende geweten een persoonlijke beslissing moet nemen' (p.19). In het artikel dat ik op 23 april voor Trouw schreef, ging ik er op grond van deze formulering vanuit, dat het de JG vanaf nu is toegestaan ook de reguliere dienstplicht te vervolgen en dat ook deze stap, evenals het toestemmen in de vervangende dienstplicht, niet zou leiden tot sancties van zijn gemeente. Dat bleek een misrekening. In een gesprek met een vertegenwoordiger van het Nederlandse bijkantoor kwam naar voren dat een JG, die besluit dat hij de normale dienstplicht kan vervullen, nog steeds wordt geacht zich uit zijn gemeente teruggetrokken te hebben. De redenering is namelijk dat indien het geweten van de betrokkene hem tot de conclusie brengt dat hij zonder bezwaar de dienstplicht kan vervullen, dit geweten niet volgens de bijbelse principes is gevormd. Deze consequentie staat echter nergens te lezen in het artikel. Ondanks de indruk die gewekt wordt, is er dus ten aanzien van de normale dienstplicht niets gewijzigd.[[17]] Maar dan blijft de vraag: waarom is deze formulering, voor WTG begrippen, zo ongewoon ambivalent? Want ook onder een aantal JG was er inmiddels enige discussie ontstaan over de juiste interpretatie ervan. Het is bijvoorbeeld ondenkbaar dat fundamentele verbodsregels als roken en overspel eveneens tot 'gewetenskwesties' zouden worden getransformeerd. De aanleiding tot deze opmerkelijke formulering blijkt echter van louter strategische aard te zijn.
Men kan veronderstellen dat potentieel veelbelovende, maar semi-totalitaire zendingsgebieden als China niet gediend zijn van een religieuze beweging die zich openlijk tegenstander verklaart van militaire dienstplicht, hetgeen uitgelegd kan worden als een staatsvijandige houding. Om precies die reden beschouwt bijvoorbeeld de regering van Singapore het WTG sinds 1972 als een wettelijk verboden organisatie.[[18]] Door het vermijden van formuleringen in de lectuur, die op het niveau van de staat als provocerend kunnen worden uitgelegd, is het alleszins denkbaar dat de organisatie op deze wijze hoopt huidige en toekomstige confrontaties met 'wereldse' autoriteiten te voorkomen en aldus een legale status te verwerven. Toen ik deze hypothese voorlegde aan een topfunctionaris van de Nederlandse JG, bevestigde hij dat deze veronderstelling inderdaad aan de formulering van de passage in het dienstplichtartikel ten grondslag lag. Op deze wijze is de organisatie gevrijwaard van barrières die haar beletten de huidige activiteiten optimaal te verrichten en die de toekomstige expansie mogelijk verhinderen. Enkele JG voerden ter verdediging van deze formulering aan, dat het WTG de laatste jaren ertoe neigt om minder dwingend het gedrag van de individuele volgeling voor te schrijven.
Desondanks zal het niet gevolg geven aan deze impliciete instructie leiden tot uitstoting uit de gemeenschap, terwijl de organisatie zich niet hoeft te beroepen op regelgeving, maar kan volstaan met te wijzen op het individuele handelen van de betrokkene. Een dergelijk 'catch-22' formulering zien we ook terug in De Wachttoren van 15 juli 1996, waaruit blijkt dat het handelen vanuit het persoonlijke geweten afhankelijk is van bijbelse wetten en beginselen (p. 19).
Het is duidelijk dat het WTG afstand heeft genomen van het ooit zo bejubelde collectieve martelaarschap van de JG. Daar werd 40 jaar geleden heel anders over gedacht:
'Dat Jehovah zijn volk ook thans in de leeuwenkuil beschermt, blijkt uit de standvastige houding van de getuigen die in kampen waar zij dwangarbeid moeten verrichten hun rechtschapenheid handhaven. Zij zijn daar gelukkig omdat zij terwille van de rechtvaardigheid worden vervolgd. Zij klagen niet, omdat de geest der heerlijkheid, ja, de geest Gods, op hen rust (...) Want het is beter te lijden, omdat gij goeddoet, indien de wil van God het wenst, dan omdat gij kwaad doet' (w:1/11/56:498-499).
Het tweede voorbeeld betreft de jeugdige aanhang. Veel jonge JG worden door de organisatie gestimuleerd om tijdens schoolvakanties extra tijd aan het prediken te besteden. Tevens werd de JG-jeugd tot in de jaren 80 aangespoord na het bereiken van de niet-leerplichtige leeftijd geen verder onderwijs te volgen, tenzij het praktische vakopleidingen betrof (w:1/7/72:395; 1/1/84:24; Penton 1985:270-274; Botting & Botting 1984:116-117).[[19]] In plaats daarvan zouden de jongeren zich moeten toeleggen op de predikingsactiviteiten, bij voorkeur in combinatie met een deeltijdbaan. Die ouders, die erin geslaagd waren kinderen voort te brengen die het qua predikingsactiviteiten ver hadden geschopt, werden daarvoor in de lectuur geprezen (w:1/3/88:23).
In 1988 verschijnt echter een publicatie, waarin het WTG zich aanzienlijk terughoudender opstelt tegenover deze evangelische ijver van de jongere generatie.[[20]] Dit werk is echter louter bedoeld voor gebruik in echtscheidingszaken bij 'verdeelde' gezinnen: de ene partner is JG, de andere niet. Het centrale thema in het boekje is de toewijzing van de kinderen en de indruk die ze op de bij de zaak betrokken functionarissen, zoals rechters en maatschappelijk werkers, moeten maken. De JG-ouder krijgt het advies het kind min of meer te instrueren dat het nu niet 'in een demonstratie op een kringvergadering' is (een openbare getuigenis tijdens een halfjaarlijkse bijeenkomst), waar zij vertellen dat 'in hun leven de prediking en de gang naar de Koninkrijkszaal op de eerste plaats komen'. Ook moet de eventuele geestdrift om uiting te geven aan de wens de predikingsactiviteit aanzienlijk op te voeren, zoals de pioniersdienst, getemperd worden. De jeugdige zou bijvoorbeeld duidelijk kunnen maken dat hij of zij een carrière in de journalistiek ambieert (p. 43). Dat laatste staat in schril contrast met een fragment uit de zojuist aangehaalde editie van De Wachttoren (gepubliceerd in hetzelfde jaar als dit boekje) waarin Jezus als voorbeeld wordt gesteld, immers hij stelde zich tevreden stelde met timmermansarbeid in plaats van een wereldse loopbaan op te bouwen (p. 24). Weliswaar zijn de consequenties van het laveren tussen doctrinaire en wereldse vereisten in dit geval niet ernstig, Franz geeft echter enkele voorbeelden van dit elastische gedrag van de organisatie in Malawi en Mexico, waaruit blijkt dat de gevolgen van dit opportunisme aanzienlijk schadelijker kunnen zijn (Franz 1992:112-135).
Uiteraard is er van talloze kanten nog aanzienlijk meer kritiek op het WTG geleverd: op specifiek theologische niveau als het al dan niet bestaan van hel en drie-eenheid, en in meer algemene zin, op de wijze waarop de eigen bijbelvertaling is aangepast aan de idiosyncratische exegese; op de bureaucratische regels die het accent leggen op het collectief in plaats van het individu, alsmede op de stringente excommunicatieprocedures die rechtstreeks voortvloeien uit de autoritaire organisatiestructuur. Met name deze beide laatste aspecten krijgen veel aandacht in (auto)biografische verhandelingen van ex-JG. Ik verwijs de lezer daarvoor naar de titels in de inleiding. |
|
De organisatie Het WTG is een hiërarchisch georganiseerde religieuze beweging, met als voornaamste doel de verspreiding via woord en geschrift van de eerder geschetste bijbelse inzichten. De hoofdzetel van het WTG, voluit de Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania, door de aanhang kortweg 'het Genootschap' genoemd, is gevestigd in New York en staat sinds maart 1993 onder leiding van Milton Henschel. Van daaruit wordt leiding gegeven aan 5 miljoen aanhangers, verspreid over 232 landen (1995). Het hoogste echelon, de apostelen en ouderlingen oftewel de 'getrouwe en beleidvolle' slaaf uit Matth. 24:45, wordt heden ten dage vertegenwoordigd door het zogenaamde 'Besturende Lichaam'. Dit is een via coöptatie samengesteld collectief van 12 mannen. Allen behoren tot de 'gezalfde klasse' van de 144.000 uitverkorenen. Ook vormt dit de bron van herziene inzichten in leerstellige aangelegenheden, die in deze theocratische organisatie via democratische besluitvorming tot stand komen.[[21]]
Op het laagste niveau zien we deze structuur terug in de plaatselijke gemeente. Daar heeft het, qua omvang variabele, 'lichaam van ouderlingen' zeggenschap over de gelovigen. De groepsgrootte varieert, maar men streeft ernaar de maximale omvang te beperken tot ca. 150 leden. Wordt dit aantal overschreden, dan vindt via het principe van celdeling splitsing van de gemeente plaats. In figuur 2 is de opbouw van de organisatie weergegeven. De linkerkolom geeft de formele hiërarchische structuur weer. In ongeveer de helft van de gevallen is het bijkantoor de hoofdzetel op nationaal niveau.[[22]] Dit echelon is in Nederland gevestigd in Emmen en bestaat hier uit vijf bestuursleden.[[23]] Beperken we ons verder tot de organisatie alhier, dan zien we dat Nederland is verdeeld in twee districten, die globaal Noord- en Zuid-Nederland vertegenwoordigen. Beide districten zijn weer verkaveld in totaal 22 subregio's, de zogenaamde kringen. Ieder kring omvat ongeveer 20 gemeentes. In Nederland waren in 1995 totaal 411 gemeentes, die het organisatorisch fundament vormen voor de bijna 33.000 JG. Gemeentes komen bijeen in hun Koninkrijkszaal. Dat zijn eenvoudige, strikt functionele gebouwen die zowel van de binnen-s buitenkant aan alles doen denken, behalve aan verzamelplaatsen voor religieuze bijeenkomsten. Verder hebben de hogere bestuursniveaus, afgezien van de gemeente, weinig betekenis voor de dagelijkse religieuze praktijk van de gelovigen. De uitzondering vormen de jaarlijkse 'kringvergadering', een twee dagen durende bijeenkomst, en de 'speciale dagvergadering' alwaar degenen die onder een bepaalde kring ressorteren elkaar in één van beide, in Swifterbant en Bennekom gevestigde 'kringhallen' ontmoeten. Daar vinden ook de doopplechtigheden plaats.
Verder is het halfjaarlijkse inspectiebezoek van de kringopziener aan de gemeente een van de hoogtepunten in de lokale JG-gemeenschap. Op districtsniveau vinden jaarlijks de massale zomerbijeenkomsten plaats, waaronder die in het Utrechtse Jaarbeurscomplex. Een gedeelte van het zwembad Den Hommel dient dan als dooplocatie. Tevens komt men bijeen in Heerenveen, Arnhem, Eindhoven en Goes (1996). In stedelijke agglomeraties waar doorgaans meer gemeenten zijn gevestigd, is ook een stadsopziener aangesteld. Deze heeft echter louter organisatorische taken te verrichten en vervult verder geen rol in de hiërarchie. De dagelijkse leiding van de gemeente is in handen van een comité van ouderlingen, ieder met hun specifieke taken, waarin ze worden bijgestaan door 'dienaren in de bediening'.
Een andere rangorde, maar nauw verwant met de voorgaande, is gestructureerd op basis van predikingsactiviteiten. Op iedere verkondiger, de 'modale' JG dus, berust de plicht te evangeliseren. De mate waarin hij of zij zich van deze 'heilige taak' kwijt, wordt aan de individu overgelaten, maar de enige manier om in de organisatie een hogere status te verwerven, is uitbreiding van deze activiteit. Het eerste niveau is dat van de 'hulppionier'. De hulppionier verplicht zich om gedurende minstens één maand per jaar minstens 50 uur te prediken. Veelal stimuleert het WTG de aanhang om in de maanden april en oktober deze speciale activiteit te ondernemen. Aan de 'pionier' wordt hogere eisen gesteld, want deze moet 70 uur per maand in de 'velddienst' doorbrengen, een quotum dat overigens nauwelijks gerealiseerd wordt. In de loop der jaren is dit vereiste minimum herhaaldelijk verlaagd omdat bleek dat veel pioniers niet in staat waren naast hun predikingswerk een redelijk inkomen te verwerven uit een parttime werkkring. De 'speciale pionier', tenslotte, is een kleine categorie van fulltime evangelisten, die worden geselecteerd uit de pioniers. Zij ontvangen een geringe financiële ondersteuning van de organisatie.
Om een idee te geven van omvang en activiteit van deze categorieën: in februari 2002 hadden in Nederland 63 speciale pioniers, 994 pioniers, 319 hulppioniers en 28092 verkondigers zich met de huis-aan-huis prediking bezig gehouden. Bij elkaar hadden ze in die maand ruim 291.000 uur geëvangeliseerd, waarbij ze ruim 367.000 exemplaren van De Wachttoren en Ontwaakt! verspreidden (ontleend aan km:6/02). Gemiddeld nam in 2002 bijna 6% van de JG in Nederland deel aan een van deze pioniersdiensten. Ter vergelijking: in Zuid-Korea bedroeg dat cijfer bijna 29%, hetgeen zich ongetwijfeld aan de hand van sociaal-ulturele factoren laat verklaren.
Verder is het voor een JG mogelijk zich volledig aan een reeks van organisatorische activiteiten te wijden als employé op het bijkantoor, de Bethelmedewerker. Deze werkzaamheden variëren van het schoonmaken van toiletten tot het vertalen van de lectuur, hoewel rekening gehouden zal worden met specifieke vaardigheden. Ook deze ca. 120 arbeidskrachten krijgen een bescheiden financiële tegemoetkoming. Onberispelijk theocratisch gedrag is een vereiste; zo wordt op het aanmeldingsformulier gevraagd wat de redenen zijn van een eventuele echtscheiding en of de kandidaat met homoseksuele problemen te kampen heeft gehad en zo ja, wat daar dan wel de verklaring voor is. De gegadigde verplicht zich een contract aan te gaan voor een verblijf van drie jaar in deze, met een kloosterorde vergeleken organisatorische tak. (Dericquebourg 1980). Verder wordt van ieder 'Bethelliet' verwacht dat deze gedurende het eerste jaar de hele bijbel leest (w:1/5/95). De ambitieuze JG, die weinig voelen voor Bethel - en dat zijn er, als men het oor goed te luisteren legt, velen - kunnen streven naar het summum van verkondigen, de zendelingendienst. Via een speciale opleiding aan de Gilead-bijbelschool in New York, wordt deze groep binnen een aantal maanden opgeleid en daarna uitgezonden naar de geografische uithoeken of nieuw geopende territoria van het WTG-imperium. Doorgaans worden ze gerekruteerd uit het bestand van speciale pioniers annex kring- en districtsdienaren. Gelet op het respect dat ze afdwingen onder de JG, is hun status binnen de organisatie zonder meer te omschrijven als een elite.
Men dient te beseffen dat beide hiërarchische structuren van functionarissen en evangelisten nauw met elkaar zijn verweven. Zo is een dienaar in de bediening ook regelmatig aan te treffen in de rol van hulppionier, van waaruit hij zou kunnen uitgroeien tot ouderling c.q. pionier om, indien hij daartoe voldoende kwaliteiten en ambitie bezit, vervolgens op te klimmen tot speciaal pionier, kringdienaar of zendeling. In theorie ligt de weg dan open naar een adviserende functie bij het Besturende Lichaam of een gelijksoortige toppositie binnen de beweging. Essentieel is echter dat de totale hiërarchie van het WTG is gericht op het predikingswerk als het primaire doel van de organisatie (Penton 1985:246).
Uiteraard is er nog veel meer over de organisatie te vertellen: de drukkerijen met hun miljoenenoplagen, de speciale opleidingsscholen voor ouderlingen, de 'snelbouw'-acties waarin gedurende enkele dagen een kant-en-klare Koninkrijkszaal wordt gebouwd, de volstrekt onduidelijke financiële gang van zaken[[24]], de 'ziekenhuiscontactcomités' die een adviserende rol vervullen bij transfusieweigeringen, enzovoorts. Deze goed geoliede beweging is waarschijnlijk het beste te omschrijven in de kernachtige uitspraak van een voormalige JG: als het niet ging om het accent op de bijbel, dan zou het WTG 'big business' zijn - slick, sound en successful' (Rogerson 1969:73). |
|
De aanhang Vanaf de eerste volgelingen die Russell in de jaren 80 van de vorige eeuw om zich heen verzamelde, zal de beweging rond de wisseling van het millennium uitgegroeid zijn tot een aanhang van ca. 5½ miljoen actieve evangelisten. De grafiek geeft een indruk van deze wereldwijde ontwikkeling. Het profiel laat duidelijk zien, dat er regionale verschillen zijn in de groeicijfers. De mate waarin deze groei heeft plaatsgevonden, is aangegeven in de grafiek die percentuele groeicijfers laat zien. De toename op het Noord-Amerikaanse continent is betrekkelijk gering en al decennia lang vrij stabiel. Datzelfde geldt in ongeveer dezelfde mate voor Afrika en het Azië, inclusief Australië en het eilandengebied in de Stille Oceaan. In Afrika concentreert het WTG zich hoofdzakelijk op de voormalige Engelse gebiedsdelen in westelijk en zuidelijk Afrika. In Azië is de aanhang geconcentreerd in Japan, Zuid-Korea en de Filippijnen. Hindoeïsme, Boeddhisme en Islam vormen de belangrijkste barrières voor enige groei van betekenis in Zuid- en Oost-Azië alsmede Noord- en Centraal-Afrika - voorzover het WTG überhaupt toestemming heeft in deze regio's activiteiten op enige schaal te ondernemen. In Latijns-Amerika en Europa is echter een spectaculaire groei waar te nemen. Ook het WTG neemt deel aan de expansie van het protestants-fundamentalisme in Zuid-Amerika, evenals aan de religieuze ontginning van de maagdelijke regio's in het nieuwe Oost-Europa. Een indicatie van die regio's waar het ledental de 100.000 heeft overschreden en de gedifferentieerde wijze waarop dit getal is bereikt, wordt aangegeven in het staafdiagram. Ter verdere illustratie: in Bangladesh treft met 1 JG aan op ruim 1,3 miljoen bewoners, op het eiland Guadeloupe in het Caraïbisch gebied bedraagt dat cijfer 1 op de 55 en in Nederland 1 op de 510 (De Wachttoren 1 jan '04)
Een dwarsdoorsnede van de grafiek toont aan hoe het marktaandeel van de traditionele bolwerken van het WTG, Europa en Noord-Amerika, geleidelijk is verminderd ten gunste van met name Latijns-Amerika. Waren de JG in de jaren 50 nog hoofdzakelijk een westers fenomeen, 40 jaar later woont het merendeel in Latijns-Amerika. Merk tevens op dat het gezamenlijke aandeel van Afrika en Azië/Oceanië in deze periode nauwelijks is gewijzigd.
Van belang is dat de toename belangrijke regionale verschillen vertoont, die nauw samenhangen met historische en sociale omstandigheden. Kenmerkend aan het Europese beeld is de bescheiden groei van díe gebieden waar het WTG het langst vertegenwoordigd is. Dat heeft ondermeer te maken met het 'afgrazingseffect': op een gegeven moment lijkt een verzadigingspunt bereikt te zijn, waarna maar betrekkelijk weinig toename valt te verwachten van extern gerekruteerde volgelingen. Men zal de aanhang hoofdzakelijk vinden onder tweede en volgende generaties JG. Als voorbeeld nemen we de groei in Nederland. (In de grafiek staat de Engelse term 'publishers' voor de actieve verkondigers). Duidelijk is het kenmerkende '1975-effect', dat we nagenoeg in alle landen kunnen constateren: een ongekende piek in het aantal nieuw gedoopte leden hetgeen leidt tot een snelle groei in de periode 1970-'75, gevolgd door een afname en een geleidelijke periode van herstel.[[25]] Echter, sinds het midden van de jaren '90 is een trend ingezet die een dalende lijn vertoont. In de tweede plaats is deze differentiële ontwikkeling voor een belangrijk gedeelte te verklaren uit externe factoren. Zo is de Latijns-Amerikaanse en Zuid-Europese expansie sinds de jaren 70 voornamelijk toe te schrijven aan het doorbreken van het monopolie van de rooms-katholieke Kerk. De laatste cijfers geven echter aan, dat ook in deze regio's de aanvankelijke spectaculaire groei geleidelijk aan stabiliseert. Het is daarom ook niet voor niets dat het WTG nu veel aandacht besteedt aan Oost-Europa. Het ideologisch vacuüm, dat daar is ontstaan na de desintegratie van het communisme, heeft volop ruimte geboden aan een uiteenlopend spectrum van levensbeschouwingen. De volgende fase van expansie is mogelijk te verwachten in China. Vooralsnog is het land niet toegankelijk voor religieuze bewegingen. De lotgevallen van Falung Gong, ondanks de filosofisch verwantschap met het cultuurgoed van het Verre Oosten, tonen aan dat zeker westerse groeperingen nog een lange weg hebben af te leggen. |
|
De prediking Dertig jaar geleden verscheen in De Wachttoren een artikel getiteld 'Wordt u geïrriteerd door de boodschap van Jehovah's getuigen?' (w:15/1/67:59). Daarin werd gesteld dat '[de JG] u bezoeken uit liefde, menend dat u iemand bent die goede dingen wil zien, in overeenstemming met het goede nieuws dat zij brengen, en die wil dat recht wordt gedaan in verband met de dingen die u wel zou willen maar niet kunt verbeteren'. De boodschap van de verkondiger, bestaande uit het overbekende mengsel van wereldse ellende en paradijselijke hoop, werd vergeleken met de met onheilsberichten gevulde dagelijkse krant: 'waarom niet boos op de krant, maar wel op ons?'. Een lezeres van het protestants-christelijke damesblad Prinses vroeg zich in die tijd vertwijfeld af of we 'als Christenen wel zo kortaf "geen belangstelling" mochten zeggen', maar daar zag de redactie geen probleem in want 'deze mensen willen u overhalen tot een verkeerd geloof en daaraan mag u als Christen geen voet geven'.[[27]]
Nou was eventuele irritatie van de kant van de huisbewoner alleszins begrijpelijk, want de JG mochten dan humane intenties hebben, degenen die minder gediend waren van de 'liefdevolle' boodschap bezag de beweging in die tijd in een heel ander licht. Kennelijk wijs geworden door de ervaringen, adviseerde het WTG dat het niet de bedoeling was dat de verkondiger in zo'n geval zou gaan schelden en aankondigen 'U zult te Armageddon sterven' en dan plotseling weg te lopen (w:14/2/54:62). Immers:
'voor deze [mensen] zijn de predikende getuigen van Jehovah een stank (...) Onze Koninkrijksboodschap voorspelt hun weinig goeds. Zij is gelijk een vieze lucht welke van iets doods afkomstig is en welke besmettelijk en dodelijk is om in te ademen. Ze komt voort uit een doodaanbrengende bron en ze betekent de dood voor hen. (...) wij prediken de dag der wraak onzes Gods en derhalve de komende vernietiging van deze wereld (...) Voor hen die de wereld liefhebben, stinken wij dus' (w:1/1/56:14,15). Overigens was dat element van 'liefde' ook ver te zoeken in het advies aan jonge JG om in de prediking vooral te benadrukken dat 'de meeste jongens en meisjes in Armageddon gedood zullen worden (...) omdat ze hun Schepper niet gedachten' (km 3/58:3).
Afgezien van het feit dat volgens de hedendaagse visie van het WTG niemand weet wat er in Armageddon met jonge kinderen gebeurt (rs:53), is 40 jaar later deze zwartgallige benadering vervangen door een optimistische. Werd vroeger het prediken beschouwd als een 'christelijke oorlogvoering' waarin 'veldtochten' ondernomen om de 'vijand in de frontlinie' met lectuur te bestoken, tegenwoordig wordt wekelijks speciaal drie kwartier besteed aan het nagenoeg onuitputtelijke repertoire van meer vredelievende en zeer rationele verkondigingstrategieën, die iedere salesmanager van een commerciële onderneming kant-en-klaar kan toepassen op zijn eigen product (vgl. Wilson 1990:118). In deze instructie wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van rollenspel: de evangeliserende JG en de mensen die op zijn pad komen, eveneens gespeeld door JG. Het nu volgende is een willekeurige selectie van wat men regelmatig op een dinsdag- of donderdagavond in een Koninkrijkszaal kan verwachten:
"Maak de huisbewoner nieuwsgierig (n.a.v. de ramp met de Exxon Valdez: 'vertel alle achtergronden van de ramp, verder niets. Zeg dan: de volgende keer praten we erover hoe je zo'n ramp kunt voorkomen'); wees persoonlijk ('een oude man die krom loopt van de reumatiek, moet je niet gaan vermoeien met de fouten van de evolutietheorie'); hoe benader ik winkeliers (een JG tegen haar slager: Jan, ik kom nou al jaren iets bij je halen, wil je nu iets van mij nemen?); hoe spreek ik treurende mensen op begraafplaatsen aan ('mooi dat ik daar niet aan begin'); ga niet in discussie met personen die uitdagend overkomen (een vrouwelijke pionier: 'ik bel aan, doet er een viezige oude man de deur open in een tangaslipje en nodigt me uit binnen te komen, nee dus'); wat te zeggen als mensen zeggen 'ik heb geen belangstelling'? Ga dan 'met ze mee', zeg dan 'ik kan me dat goed voorstellen, want ik kom ongevraagd, maar zou u niet geïnteresseerd zijn hoe oorlogen voorkomen moeten worden?'; nemen we zelf regelmatig een douche en is onze auto schoon die we in de velddienst gebruiken schoon?"[[28]]
Anno de jaren 90 hamert de organisatie op een klantgerichte en maatschappelijk respectabele aanpak en is afkerig van het vroegere imago van stankbrengers en onheilsprofeten. De JG van nu worden door het WTG afgeschilderd in glorierijke metaforen als 'lichtgevers' en 'vreugdevolle lofprijzers'. Dat desondanks niet iedereen deze positieve aanpak op prijs telt, zoals in het extreme geval van de Hagenaar die in 1984 met een windbuks op een predikende JG schoot, maar de vrouw niet verwondde omdat het kogeltje werd opgevangen door de bijbel die zij in een tas voor haar buik had, daar leren de volgelingen mee te leven.[[29]] Hun geschiedenis, met name die in Nazi-Duitsland, kenmerkt zich immers door een aantal fases van ongekend felle vervolging (Hodges 1985; Garbe 1993). Dit aspect speelt weliswaar een belangrijke rol in de onderlinge cohesie, hoewel het overgrote deel van de Nederlandse aanhang nooit geconfronteerd is geweest met tegenstand van enige omvang.
Een JG zal niet snel toegeven dat rekruteren - een algemeen geaccepteerde term in de sociologie die duidt op aansluiting bij sociale en religieuze bewegingen - het primaire doel is van de missionaire activiteit. 'Wij bekeren niet', zegt een JG. Het wervingsprincipe lijkt op de tweede plaats te komen: wij brengen het bericht, u ziet maar wat u daarmee doet. Mocht de interesse van de huisbewoner evenwel zijn gewekt, dan volgt een zeer gestructureerd programma waarin de theologie van het WTG geleidelijk aan wordt ontvouwd. Aanvaarding van het geloofssysteem van de JG voltrekt zich geenszins in de emotionele vorm van 'plotseling het licht zien', maar is een uiterst cognitief proces van geleidelijke kennisaccumulatie. 'Becoming a Jehovah's Witness is not an emotional experience, it is an intellectual exercise (...) Coming into the organization is like getting into a hoth bath, one does it gradually', aldus de omschrijving van een voormalige JG (Stevenson 1967:89,200).
Maar er lijkt meer nodig te zijn dan louter belangstelling voor de boodschap van de zijde van de huisbewoner, wil er sprake zijn van een geslaagd inlijvingsproces. In de literatuur is uitgebreid gespeculeerd over de persoonlijke eigenschappen die een potentieel sektelid zou moeten bezitten. Specifiek met betrekking tot de JG meent de psycholoog Somers te kunnen stellen dat aanstaande leden 'veelal een gebrek aan persoonlijkheid, zelfstandigheid en creativiteit vertonen' (Somers:1995:96). Omdat de schrijver niet aangeeft waarop hij dit inzicht baseert - hij heeft geen tests afgenomen o.i.d., nog los van het feit dat de terminologie 'gebrek aan persoonlijkheid' iedere wetenschappelijke basis mist - heeft het weinig zin verder aandacht te besteden aan het diagnostische repertoire van de auteur. Interessanter is het onderzoek van Munters (1970, 1971). Hij stelt vast dat JG zich meer gedepriveerd voelen dan een vergelijkbare groep niet-JG. Dat lijkt zo op het oog een acceptabele conclusie, ware het niet dat er fundamentele methodologische kritiek is uitgeoefend op de wijze waarop Munters die 'deprivatie' heeft gemeten, waardoor het resultaat op losse schroeven is komen te staan (Beckford 1975:156).
Naar aanleiding van zijn eigen onderzoek suggereert Beckford dat voor het merendeel van de aanstaande JG aansluiting waarschijnlijk gevoed wordt door een complex van factoren, waarbij een christelijke opvoeding, een marginale maatschappelijke positie en een sociaal isolement, al dan niet in combinatie, een belangrijke achtergrondrol spelen. Verder is het van belang dat de kandidaat van mening is dat zijn waarden- en normenbesef op zeer gespannen voet staat met datgene waar hij dagelijks mee wordt geconfronteerd: 'Waar is de tijd van vroeger toen je op vrijdagmorgen de huisvrouwen nog hun straatje zag schrobben', waarmee deze JG zijn nostalgie naar het burgerlijke ethos van weleer verwoordde. Op strikt psychologisch niveau lijkt een zekere dogmatische denktrant of een aversie tegen ambivalente situaties een pré (Beckford 1975:183-185).
Interessant is tevens de studie van de psychoanalyticus Strozier over de relatie tussen gewelddadige neigingen en geloof in apocalyptiek. De auteur constateerde onder met name mannelijke fundamentalistische christenen in New York opmerkelijk veel ingehouden woede tegenover alles wat zij als verwerpelijk maatschappelijk gedrag beschouwden. Het middel bij uitstek om hun agressie op politici of homoseksuelen te richten was een uiterst gewelddadig eindtijdvisioen. Tegelijkertijd werden deze gevoelens door het geloof gesublimeerd; het vertrouwen op het naderende Armageddon beschermde hen tegen de daadwerkelijke manifestatie van deze emoties (Strozier 1994:79). Het doet denken aan de JG-ouderling, die mij toevertrouwde dat 'als ik de waarheid niet had leren kennen, was ik nu een terrorist die met een geweer liep te maaien'.
Vanuit een meer sociologisch georiënteerde optiek is meerdere malen geopperd dat een toestand van anomie een belangrijke bijdrage levert aan de groei van de JG (o.a. Moberg 1962:112). Dergelijke maatschappelijke omstandigheden worden gekenmerkt door een grote mate van sociale, politieke en economische verwarring, hetgeen leidt tot collectieve materiële en geestelijke onzekerheid. Dat is op dit moment duidelijk zichtbaar in Oost-Europa.
Dit zijn alleen nog maar de waarschijnlijke randvoorwaarden, wil er überhaupt sprake zijn van een geslaagd eerste contact 'aan de deur'. Uiteraard zijn daar afwijkingen in aan te treffen, met name als het gaat om trauma-achtige ervaringen. Zoals een nominaal protestantse vrouw, van wie haar lievelingskleindochter sterft, zich afvraagt 'hoe kan God dit doen' terwijl op hetzelfde moment de bel gaat en zij vervolgens een pasklaar antwoord krijgt waar ze hoop uit kan putten. Maar dergelijke achtergronden zijn niet kenmerkend voor het merendeel van de levensgeschiedenissen van de JG. Het succes van de evangelist is voor een groot deel afhankelijk van het feit of hij of zij erin slaagt om snel een onderwerp aan te snijden dat aanslaat bij degene die de deur opent. Vanuit een microsociologisch oogpunt is het belang dat men zich realiseert dat de JG zichzelf in een geestelijke superieure positie beschouwt, want hij of zij beschikt over kennis die de ander niet heeft. Door deze hogere statusverwachting gaat de verkondiger ervan uit dat hij of zij het recht heeft de situatie te definiëren, door onder andere het gespreksonderwerp te bepalen en te trachten de discussie in een baan te leiden die tot de gewenste uitkomst moet leiden (vgl. Ingram 1989)
'Komt er een man tevoorschijn, dan kunt u met hem spreken over de wereldsituatie, de levensstandaard, wetenschap (...) Komt er een vrouw aan de deur, dan is religie een goed onderwerp of haar kinderen, huisgezin, de nieuwe wereld met haar pracht en wonderen. (...) Wanneer iemand thuis een bibliotheek heeft, zouden wij waarschijnlijk met hem kunnen spreken als iemand die welbelezen is. Is het een arbeider, dan spreken wij met hem anders als met iemand die heeft gestudeerd' (qm55:177, 180).
Daarnaast is het van groot belang dat de verkondiger erin slaagt eventuele maatschappelijke misnoegen of individuele bittere gevoelens die de aangesprokene naar voren brengt (of door de evangelist worden ontlokt), kadreert in het allesomvattende theologische systeem van de JG (vgl. Snow e.a. 1986:464). Uiteenlopende negatieve fenomenen als het Ebola-virus, de oorlog in Bosnië, verkrachting in het huwelijk, de aantasting van de ozonlaag of dwangneuroses worden gereduceerd tot consequenties van een monocausale factor, namelijk het naderende einde van 'dit samenstel van dingen'. Het positieve tegenbeeld van deze problematiek, het aanstaande paradijs, wordt gepresenteerd als de onvermijdelijke toekomstverwachting, zonder dat evenwel in eerste instantie gedetailleerd wordt ingegaan op de vraag welke concrete handelwijzen dit voor de huisbewoner impliceert. Op deze wijze wordt de complexe realiteit van alledag vereenvoudigd tot een uitermate overzichtelijk dualistisch systeem van goed en kwaad.
Maar dat is niet het enige, wil er sprake zijn van een geslaagd vervolg van het gesprek. Het moet 'klikken' tussen bezoeker en bezochte, want er moet een basis worden gelegd voor een langdurige relatie waarin veelal intieme details worden uitgewisseld. Sociaal-culturele affiniteit lijkt daarin een belangrijke rol te spelen; de verkondigster die de zojuist genoemde bedroefde vrouw bezocht, sprak dezelfde taal, ze had de buurvrouw kunnen zijn. Uit de Antillen afkomstige JG krijgen nauwelijks een poot aan de grond (of voet tussen de deur, om een hardnekkig stereotype te gebruiken) bij autochtone Nederlanders, maar hebben redelijk succes bij hun landgenoten. Ook het psychodynamische aspect moet niet uit het oog worden verloren, zoals de oudere, mannelijke JG, die contact krijgt met een aan lager wal geraakt gezin en daar, naast zijn religieuze rol, de positie van surrogaatvader ten opzichte van het ouderpaar gaat innemen. Hij slaagt erin orde op zaken te stellen - en het gezin te bekeren.
Na deze eerste fase van wederzijdse kennismaking en introductie in de fundamenten van de leer die enkele maanden in beslag kan nemen, volgt de uitnodiging om de gemeente te bezoeken. Daar volgt de kennismaking met de andere gelovigen. Indien dit contact door beide partijen als bevredigend wordt ervaren, volgt geleidelijke absorptie in de religieuze gemeenschap die voor de verdere resocialisatie en toewijding van de bekeerling van wezenlijk belang is. De bekeerling zal zijn veranderde identiteit niet louter ontlenen aan zijn of haar nieuwe geloofsopvattingen, maar met name aan het lidmaatschap van een nieuwe groep. Indien de vorderingen en het gedrag van de kandidaat dat toelaten, zal hem of haar op een gegeven moment worden gevraagd aan de van huis-tot-huis verkondiging deel te nemen: men is dan een ongedoopte verkondiger. Weliswaar wordt de JG gestimuleerd om zich daarna te laten dopen, maar daartoe bestaat geen verplichting. Wat telt is de transformatie naar de identiteit van de verkondiger, niet de loutere formaliteit van het dopen die officieel het einde van de bekeringsfase markeert. Het ondergeschikte karakter van de doop geeft aan welk belang er aan het evangeliseren wordt gehecht.
Het effect Enkele jaren geleden verzuchtte de Belgische aartsbisschop kardinaal Danneels dat de katholieke kerk maar in de leer moest gaan bij de JG. 'Niet om het geloof te veranderen, maar om het aan de man te brengen' (De Volkskrant, 10/10/90). Weliswaar bleek later dat de pers hem verkeerd had begrepen en dat hij niet zozeer de JG voor ogen had dan wel het Maria-legioen, maar de vraag blijft of geloofsmarketing veel zou hebben opgeleverd. Want de JG mogen zich dan veel moeite getroosten hun zienswijze op de bijbel uit te dragen teneinde de toehoorder te laten inzien dat de enige uitweg uit deze ten dode opgeschreven wereld nog te vinden is in het WTG, de feiten leren dan het rendement van deze wervingsmethode laag is. Per slot van rekening zijn de meeste mensen huiverig voor een fundamentele wijziging van hun eigen identiteit, hetgeen de essentie is van bekering: 'Nobody likes to change, except for a wet baby' (vgl. Wilson 1990:62).[[30]]
We gaan van de volgende principes uit: een JG is via de huis-aan-huis prediking met de beweging in contact gekomen, heeft een JG als vriend, kennis, partner of familielid of is opgegroeid in een gezin van JG. In Nederland heb ik enkele jaren geleden via een vragenlijst aan ruim 300 JG verzocht aan te geven op welke wijze zij met hun huidige geloof in aanraking zijn gekomen. In tabel 3 zijn de gegevens van die enquête weergegeven. Weliswaar blijkt uit deze opsomming dat ruim eenderde van de ondervraagden via de huis-an-huis evangelisatie met het geloof in aanraking gekomen, maar differentiëren we dit naar de leeftijd, dan ontstaat een ander beeld. In de leeftijdscategorie van 15 tot 44 jaar is namelijk ruim 18% via deze methode in 'de waarheid' gekomen, terwijl dit voor bijna 53% op de groep van 45 jaar en ouder van toepassing was. Tevens blijkt dat van de categorie 15 tot 44 jaar meer dan 64% in het geloof is opgevoed. Hetzelfde beschrijft Penton voor Canada, waar 20% van de ondervraagden via huis-aan-huis evangelisatie was bekeerd, maar het merendeel van hen was langer dan 15 jaar met de organisatie verbonden (Penton 1985:352, noot 83). Ook is duidelijk dat het netwerk van vrienden, kennissen, familieleden en collega's een niet te verwaarlozen bijdrage kan leveren. Bijna een vijfde van de ondervraagden was via 'netwerkrekrutering' - in JG-termen wordt dit 'gelegenheidsgetuigenis' of 'informele getuigenis' genoemd - met het geloof in contact gekomen. Volgens Penton is juist deze wijze van rekruteren van groter belang voor de groei van de beweging dan de huis-aan-huis prediking (Penton 1985:243). Een reeks van onderzoeksgegevens uit talrijke religieuze bewegingen toont hetzelfde aan (o.a. Gerlach & Hine 1968; Harrison 1974; Rochford 1982; Stark & Bainbridge 1985:307-324). Het is dus waarschijnlijk dat naarmate een beweging langer in een bepaalde regio is vertegenwoordigd, het effect van evangeliseren vermindert (vgl. Penton 1985:352, noot 83).
Ook andere onderzoekers hebben de rekruteringswijze van het WTG in kaart gebracht, zonder dit evenwel in verband te brengen met leeftijd. Beckford vond in het begin van de jaren 70 in Engeland dat 46% via huis-aan-huis in het geloof was gekomen en 51% via de combinatie van ouders en overige bekenden (Beckford 1975:160). Deze cijfers komen in hoge overeen met Amerikaanse gegevens. Daarin is echter wel een verschil aangebracht tussen opgevoed zijn in het geloof (24%) en de invloed van vrienden en familie (29%) [Brose 1982:92]. In België bleek 28% van de JG via huis-aan-huis evangelisatie tot 'de waarheid' te zijn toegetreden, 26% had het geloof via de ouders meegekregen en ruim 40% van vrienden, kennissen, enzovoorts (Leman 1979:61). Wilson vond in Japan dat ruim 58% door verkondiging was gerekruteerd en 35% via de combinatie ouders en bekenden (Wilson 1977:109).
Uit de resultaten van het eerste sociologische onderzoek in Nederland, dat in de tweede helft van de jaren 60 werd uitgevoerd onder Utrechtse JG, blijkt dat slechts 7% via huis-aan-huis verkondiging was toegetreden, 40% onder invloed van familieleden, partners, kennissen of collega's en 53% via de ouders (Munters 1970:160). Deze cijfers lopen nogal uiteen en de verklaring daarvoor moet waarschijnlijk worden gezocht in de periode waarin de onderzoeken plaatsvonden en de regio: 'oudere' onderzoeken zullen waarschijnlijk hoog scoren op het percentage huis-aan-huis verkondiging en dat geldt ook voor betrekkelijk nieuwe territoria.[[31]]
Het lage rendement van verkondigen is ook aantoonbaar aan de hand van de WTG-statistieken. We mogen veronderstellen dat het resultaat van predikingsactiviteiten leidt tot groei van het ledenbestand. Passen we dit concreet toe op de JG, dan is het aantal gepredikte uren per jaar mede bepalend voor het aantal dopelingen in het daaropvolgende jaar. Als voorbeelden nemen we Letland, waar het de JG vanaf 1993 is toegestaan te evangeliseren en Nederland, waar de eerste 'Bijbelonderzoekers' - want zo heetten de JG voordat Rutherford ze in 1931 hun huidige naam gaf - reeds vanaf de Eerste Wereldoorlog aanwezig waren. In 1994 besteedden de ca. 600 Letse JG ruim 209.000 uren aan het evangeliseren; hun Nederlandse geloofsgenoten, "31.000, ruimden daar meer dan 4,8 miljoen uren voor in. Een jaar later werden er in Letland 262 nieuwe JG gedoopt, in Nederland 977 (yb95; yb96). Het kostte dus in Letland bijna 800 uur prediken om één nieuwe aanhanger te rekruteren, in Nederland ruim 5000 uur oftewel 2½ jaar in werkdagen (en geen vakantie). Daarbij moeten we tevens nog in aanmerking nemen dat er onder de Letse dopelingen nauwelijks tweede-generatie leden zullen zijn, in tegenstelling tot Nederland. Wie hier wel eens een doopplechtigheid van de JG heeft gezien, zal constateren dat onder de doopkandidaten de ouderen verre in de minderheid zijn. De 5000 uren zijn dus in hoge mate geflatteerd.
De vraag is echter of we evangelisatieactiviteiten louter en alleen in termen van rekruteringsrendement moeten beschouwen. Uiteraard speelt ook de distributie van de lectuur daarbij een belangrijke rol. Duidelijk is evenwel dat de lectuur als hulpmiddel wordt beschouwd en dat 'verspreiding' ervan onder het publiek niet het hoofddoel is van de verkondiging is.[[32]] In 1995 reikte iedere Nederlandse JG gemiddeld 94 exemplaren van De Wachttoren en Ontwaakt! aan het publiek uit, een totaal van ruim 2,9 miljoen tijdschriften.[[33]] Omdat deze bladen sinds 1993 kosteloos worden verstrekt, is het niet goed mogelijk een schatting te maken van de huidige opbrengsten van de lectuur, hoewel de ervaring leert dat sommige huisbewoners bereid zijn meer voor de lectuur uit te geven, terwijl anderen het blad gratis in ontvangst nemen. Tot 1993 bedroeg de prijs van een tijdschrift 50 cent per exemplaar. Dit zou betekenen dat de Nederlandse tak van de organisatie vanaf het einde van de jaren 80 tot 1993 jaarlijks ca. 2 miljoen ontving aan inkomsten van tijdschriften.[[34]] Dit is waarschijnlijk een minimumbedrag, want ook incidentele publicaties behoren tot het assortiment van de verkondiger. Doorgaans zijn dit gebonden boekjes met een kostprijs van enkele guldens. Volgens de organisatie worden de opbrengsten van de lectuur louter aangewend ter dekking van de drukkosten en voor de continuïteit en expansie van de organisatie.
Hoewel menig criticus van het WTG van mening is dat de beweging weinig meer is dan een uitgeverij die op goedkope wijze haar massaproduct verkoopt, moet we niet uit het oog verliezen dat de combinatie van rekruteren en lectuurverkoop een kenmerk is van de rationele wijze waarop talloze, met name Amerikaanse religieuze groeperingen opereren. We zien dit al terug in het 18e en 19e-eeuwse Amerika, als reactie op het heersende godsdienstige klimaat waarin traditie, bijgeloof en emotie de boventoon voerden. Het resultaat waren bewegingen waarin rationele planning (denk aan de benaming 'Methodisme'), organisatie en doelmatigheid de hoofdrol speelden; efficiëntie was belangrijker dan spiritualiteit.
Het benadrukken van deze manifeste functies van de verkondiging gaat echter voorbij aan een aantal belangrijke latente functies (Merton 1957). Zo is gesuggereerd dat de individuele drijfveer van deze wijze van verkondiging gezocht moet worden in de wens anderen te domineren of, wat daarmee in het verlengde ligt, een manier om met de eigen twijfels en onvolkomenheden om te gaan (Megivern 1976). Zonder dit evenwel toe te schrijven aan psychologische attributen van de individuele gelovige, wordt verondersteld dat evangeliseren een belangrijke geloofsversterkende functie heeft (Mol 1976:238). Onderzoeksmateriaal onder uiteenlopende religieuze groeperingen als chassidische joden (Shaffir 1978) en de Jesus People (Gordon 1978) bevestigt deze opvatting. De voortdurende presentatie door het WTG van omvangrijk cijfermateriaal waaruit louter de groei van de beweging naar voren komt - hetgeen een commentator ooit vergeleek met 'de productieschema's van het Oost-Europese staatscommunisme' (Cohn 1955) -, is in de ogen van veel JG dan ook het bewijs dat hun geloofsactiviteit concrete resultaten oplevert (Wilson 1970:41). Naast deze overheersings- en onzekerheidsmotivaties wijst Megivern op een louter egocentrische beweegreden. Een geslaagde rekruteringspoging is vergelijkbaar met het behalen van een overwinning op een ander, de JG is als het ware een 'koppensneller' die zijn zegepraal heeft binnengehaald (Megivern 1976:68; we hebben eerder gezien hoe het WTG enkele decennia geleden de verkondigingscampagnes in militaire termen beschreef). Het probleem met dergelijke psychoanalytisch georiënteerde verklaringen is de moeilijke toetsbaarheid van bijvoorbeeld de vraag: 'zijn JG over het algemeen onzekerder dan niet-JG?'[[35]] Niettemin laat een individuele aanhanger wel eens iets doorschemeren van een zekere triomfantelijk gevoel: 'die gereformeerde had ik binnen een uur plat', aldus een tweede-generatie aanhanger. Tevens is opgemerkt dat het verkondigen van de JG een bewuste organisatorische strategie zou zijn, teneinde de aanhangers te confronteren met vernederende situaties. Aldus zou een collectief gevoel van vervolging ontstaan, dat op zijn beurt weer de groepssolidariteit ten goede zou komen (Lebra 1972:119).
Wat deze neveneffecten ook mogen betekenen, de meeste JG beschouwen het verkondigen als hun door God opgelegde heilige taak. Niet dat ze het allemaal met evenveel plezier doen, verre van dat. 'Ik zit liever aan de koffie dan huis-aan-huis te werken', aldus een van hen. Maar oog in oog met een afwijzende ongelovige weten ze zich geschraagd door hun religieuze overtuiging, want bij de drempel van de deur wordt de letterlijke scheidslijn getrokken tussen 'wij' en 'zij'. Dat versterkt alleen maar hun collectieve identiteit, want zonder die buitenwereld, die ze hard nodig hebben om te laten zien hoe slecht die is, hebben ze geen bestaansrecht. |
|
De afvalligheid Hoe indrukwekkend deze cijfers ook mogen lijken, ze verbloemen een belangrijk facet van het WTG, namelijk de aanzienlijke mate van afvalligheid. Dat laatste moeten we weer onderscheiden in het, al dan niet gedwongen, verlaten van de organisatie en inactiviteit. Een inactieve JG is volgens het WTG-jargon een JG, die niet predikt. Tegelijkertijd is het begrip 'inactief' een contradictio in terminis, immers 'Iedere getuige is een bedienaar van het evangelie; wie niet predikt, is geen getuige van Jehovah' (ms53:201). In de statistieken van de beweging worden slechts de actieve JG geteld, zij die via speciaal daarvoor bestemde formulieren laten blijken dat ze verkondigen. En of dat nu 80 uur per maand is of 1 uur per week, dat maakt geen verschil. Minimale quota zijn er sinds de jaren 70 niet meer; iedereen moet naar vermogen zijn religieuze plicht uitoefenen. En degene die nauwelijks of niets doet? Die is bij zijn of haar medegelovigen wel enigszins uit de gratie en zal het in de organisatie nooit ver schoppen, maar officiële sancties kunnen tegen zo'n persoon niet worden ondernomen.
Dankzij de stortvloed van cijfers die het WTG ieder jaar publiceert kunnen we ook een redelijke indicatie over deze afvalligheid in Nederland verkrijgen. Daarvoor dienen we de beschikking te hebben over het aantal mensen dat zich jaarlijks als JG laat dopen en het aantal actieve verkondigers. Als we dat over de afgelopen 10 jaar nagaan, dan komen we aan de hand van tabel 2 tot de volgende berekening. Het getal in de tweede kolom is het gemiddelde aantal verkondigers dat in het betreffende jaar maandelijks 'bericht' heeft ingeleverd van predikingsactiviteit. De derde kolom vermeldt het aantal dat jaarlijks wordt gedoopt. We moeten hierbij aantekenen dat gedoopt zijn geen voorwaarde is om te prediken: er zijn ook ongedoopte JG. We mogen er echter vanuit gaan dat het aantal gedoopte personen een belangrijke indicator vormt voor de groei van de beweging en dat dit zich zou reflecteren in de toename van het aantal verkondigers. In deze periode van 10 jaar zijn dus 10.584 personen gedoopt. Houden we rekening met een jaarlijkse mortaliteit van 8‰, dan betekent dat ongeveer 2400 JG in deze periode zijn overleden. Trekken we dit af van het totale aantal dopelingen, dan zouden we een theoretische toename van bijna 8200 individuen moeten registreren. Wat blijkt echter? Tellen we dit getal op bij het aantal actieve JG in 1985, het jaar dat aan deze periode voorafgaat, [27745], dan komen we op 35945 actieve JG. Vergelijken we dit met het gerapporteerde aantal, 31142, dan blijkt dus dat "4800 personen zijn 'verdwenen'. Hieronder vallen de inactieven en degenen die de organisatie hebben verlaten. Het is moeilijk te zeggen hoeveel hiervan tot welke categorie horen. Volgens het WTG vinden er jaarlijks op wereldwijd niveau ongeveer 40.000 uitsluitingen plaats, hetgeen neerkomt op bijna 1% van de aanhang (w:1/4/94). Passen we dit percentage eveneens toe op Nederland en relateren we dat aan het 'verdwijningsgetal' van 4800, dan zou dit betekenen dat in de onderhavige periode ca. 3000 personen zijn uitgesloten en 1800 tot de inactieve categorie gerekend kunnen worden.[[26]]
Geresumeerd kan dus worden gesteld dat van de 10 individuen die in Nederland tot de gelederen van de JG toetreden of daar als kind in zijn opgegroeid, er 4 à 5 de organisatie verlaten of zich in ieder geval inactief tonen. Dit komt overeen met de gegevens op wereldwijd niveau, hetgeen Franz beschrijft als een draaideur-effect (Franz 1992:31). Maar ook onder menige JG leeft scepsis: 'Wat er in de organisatie door de voordeur binnenkomt, gaat er door de achterdeur weer uit', aldus een ouderling met een respectabele staat van dienst. Daarmee maakt hij zijn ongenoegen kenbaar over het accent dat het WTG legt op de prediking, hetgeen zijns inziens tot gevo |