Jehovah's Getuigen als dienstweigeraars | |
N.B. Dit artikel is geschreven ten tijde van de beëindiging van de militaire dienstplicht. Daardoor zijn sommige formuleringen gedateerd.SamenvattingDe militaire dienstplicht staat op de helling. Dat betekent dat het begrip dienstweigering binnenkort in de vergetelheid zal geraken en slechts van belang zal zijn voor de geschiedenis. De Jehovah's Getuigen hebben daarin, aanvankelijk als 'gewone' weigeraars, later als totaalweigeraars, een opmerkelijke rol gespeeld. Via een kort historisch overzicht schets ik de achterliggende reden voor hun weigering en de oeverloze discussies erover op het hoogste politieke niveau. Tevens stel ik aan de orde, dat de gunstige uitzonderingspositie waarin de Getuigen als, door de staat erkende, totaalweigeraars verkeerden, op een wankele basis is gefundeerd. Er kan weinig anders worden geconcludeerd, dan dat de overheid met betrekking tot deze regeling in haar controlerende taak tekort is geschoten. Neutraliteit als basis voor totaalweigeringIedere dag staan ze trouw in de mededelingenrubriek van de dagbladen: de advertenties van de juridische collectieven die vrijstelling van militaire dienst beloven. Het is echter niet duidelijk, hoeveel succes die advocaten hebben. Zo werden in december 1993 10 totaalweigeraars, waaronder twee 'weigeryups', tot 7 maanden gevangenisstraf veroordeeld. Daarentegen beweerde een vertegenwoordiger van het Haags Juridisch Adviesbureau in een aflevering van VARA's consumentenprogramma Kassa, dat hij al zijn cliënten uit het leger hield. Goed, dat kost een paar duizend gulden, maar dat lijkt snel te worden terugverdiend omdat nu immers de glanzende carrière niet wordt onderbroken.
In december '93 beriepen de verdedigers zich op de uitzonderingspositie van de Jehovah's Getuigen, want die zijn vrijgesteld van zowel gewone als vervangende dienstplicht. Alle gewetensbezwaarden zouden op dezelfde wijze behandeld dienen te worden, zo luidde het verweer. De rechtbank verwierp deze reden. Het hoogste rechtscollege in Nederland, de Hoge Raad, had in 1979 immers al bepaald dat een totaalweigeraar niet vergeleken kon worden met een Jehovah's Getuige. Naar aanleiding van een totaalweigeringsprocedure in Zweden in 1983, oordeelde de Europese Commissie van de Rechten van de Mens eveneens dat er geen sprake was van enigerlei vorm van voorkeursbehandeling van de Getuigen.
In 1993 week echter een ander supranationaal rechtscollege van deze mening af. Als gevolg van een procedure van de Nederlandse totaalweigeraar Eric Brinkhoff, bepaalde de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties dat de uitzonderingspositie van een bepaalde groep gewetensbezwaarden niet als 'redelijk' kan worden beschouwd: allen dienen gelijk te worden behandeld. Teneinde iedere zweem van discriminatie weg te nemen, adviseerde de commissie de Nederlandse overheid dan ook de regelgeving te herzien. De uitspraken van dit orgaan zijn echter niet bindend, hetgeen bleek tijdens de behandeling van de strafzaken in december. De rechtbank legde de conclusies van de commissie naast zich neer. Het ministerie van Defensie, evenwel, boog zich over het VN-oordeel: 'Wij Nederlanders staan toch al zo snel met het vingertje te wijzen als het over mensenrechten gaat, dus hier kunnen we niet volledig aan voorbijgaan', aldus een medewerker van de Directie Dienstplichtzaken tijdens een gesprek in februari 1994 tegen mij. De vraag is of de 180 totaalweigeraars die zich begin 1994 bij het ministerie hadden aangemeld, daar enig profijt van zullen hebben, nog afgezien van het feit dat de naderende afschaffing van de opkomstplicht aanzienlijk meer prioriteit heeft.
Deze juridische beslommeringen spelen zich af over de hoofden van hen, die tijdens de gevoerde processen steeds ter sprake komen, namelijk de Jehovah's Getuigen. Sinds 1975 worden er jaarlijks ongeveer 150 vrijgesteld van de dienstplicht. Louter op grond van hun religieuze affiniteit en zonder een beroep te doen op de Wet Gewetensbezwaarden Militaire Dienst valt ze dit privilege ten deel. Deze weigering is niet gebaseerd op pacifistische uitgangspunten. Integendeel. In een artikel in De Wachttoren van 1 april '51 verzet men zich fel tegen deze, zoals men het noemt, bezoedeling. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat het Wachttorengenootschap, de overkoepelende organisatie van de Jehovah's Getuigen, zich door de distantiëring van een dergelijk etiket, op geen enkele wijze wenste te associëren met een, voor die periode, extreem en verwerpelijk gedachtegoed.
Maar de Getuigen zouden de Getuigen niet zijn, als men niet zou refereren naar de, in hun ogen, bijbelse legitimiteit van deze opvatting. 'Zij zijn niet tegen oorlog die tussen de natiën wordt gevoerd', zo vervolgt het artikel, en zij laten zich niet in met de oorlogsverrichtingen der natiën. Zij strijden alleen wanneer God hun gebiedt te strijden, omdat het dan een theocratische oorlogvoering is'. Trouwens, de eerste Jehovah's Getuigen (te beginnen bij Abel, aldus de historische opvatting van het Wachttorengenootschap) waren verre van pacifist. Wat te denken van Abraham, die 'van het verslaan der koningen terugkeerde', en Jozua die het Beloofde Land van de zedeloze heidense inwoners zuiverde? Nee, het label 'pacifisme' zou tevens een veroordeling zijn voor het soms oorlogszuchtige gedrag van de voorvaderen. 'Jezus zou ons als deserteurs beschouwen', aldus een woordvoerder van het Wachttorengenootschap, daarmee de essentie van de doctrine kernachtige samenvattend.[1] (Een niet nader genoemd PVDA-kamerlid concludeerde hieruit dat de Jehovah's Getuigen 'wel eens verder van de wet op de dienstweigering kunnen afstaan dan totaalweigeraars, die iedere uitoefening van geweld afwijzen'.[2]).
In de bijbelse exegese neemt het begrip 'neutraliteit' een cruciale rol in. Een Getuige kan geen twee heren dienen. Slechts aan God is men loyaliteit verschuldigd, hetgeen strijdig is met onderworpenheid aan een wereldse machthebber. Vervangende dienstplicht, hoe humaan dat ook mag zijn ingekleed, is een onverteerbaar compromis. Zelfs zij, die als burger in dienst zijn van de krijgsmacht, moeten er rekening mee houden dat een dergelijke werkkring niet strookt met hun geloofsopvattingen. Zo werd een timmerman, die medio de jaren '60 werkzaam was bij de marinewerf in Den Helder, door zijn 'medebroeders' aangespoord een andere werkgever te zoeken. Omdat hij niet van mening was dat hij tegen zijn principes handelde, werd hij uit zijn geloofsgemeenschap gesloten. De essentie van ondergeschiktheid aan de staat blijft immers bestaan, zo luidt de redenering. Het is ook om dezelfde reden dat de Getuigen wars zijn van het actief en passief kiesrecht, geen vlaggen uithangen, geen volksliederen meezingen en wat er verder nog aan vaderlandslievend vertoon bestaat. Het martelaarschapIn 1936 was Johan Akkerman de eerste Jehovah's Getuige, die de poorten van de strafkolonie Veenhuizen achter zich hoorde dichtvallen. Op grond van zijn geweten had hij geweigerd militaire dienst te verrichten.[3] Maar vooral sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog werd het militair-justitiële apparaat in toenemende mate met de Getuigen geconfronteerd. Volgens het Wachttorengenootschap konden de Getuigen vrijstelling voor de dienstplicht verkrijgen op grond van bekleding van een geestelijk ambt. Immers, iedere Getuige hield zich onledig met het verkondigen van het evangelie. Waarom geen vrijstelling voor hen, maar wel voor 'leden van bepaalde religieuze orden in Nederland, die misschien niets meer doen dan in een klooster wonen en bier maken', zo luidde het cynische commentaar in een aflevering van Ontwaakt!. Maar omdat de Jehovah's Getuigen niet als zodanig in deze clausule van de Dienstplichtwet als kerkgenootschap voorkwamen, was deze mogelijkheid uitgesloten.[4] Werd het gewetensbezwaar erkend, dan belandde een enkeling in de Rijks Psychiatrische Inrichting in Woensel, maar het merendeel werd tewerkgesteld in het kamp Vledder in Drenthe. De omgeving van Vledder heeft dat geweten, omdat ze elke avond erop uit trokken om hun boodschap huis aan huis te verkondigen. Tezamen met andere lotgenoten werd er in de bossen gewerkt, maar voor het overige hielden ze zich volstrekt afzijdig van de rest. Af en toe kwam het wel eens tot moeilijkheden met de 'ongelovige' lotgenoten. Zo maakten de Getuigen tijdens de kerstdagen ernstig bezwaar tegen de kerstversiering, die alom in de gemeenschappelijke ruimtes was aangebracht. Hoe het daar toe ging verhaalt Antoon Daniëls:
'Vlak na de oorlogsjaren raakte ik in contact met de Jehovah's Getuigen en het evangelie. Door de boodschap ben ik tot het evangelie gekomen. Van huis uit was ik niet zo ontwikkeld dat ik precies wist waar ik mee bezig was. Ik was gewoon gegrepen en ging door alles heen. Veel van mijn geloofsgenoten deden een beroep op de Wet Gewetensbezwaarden Militaire Dienst en ik heb dat toen ook gedaan. We deden dat allemaal vanuit een aureool van 'We gaan de wereld 's wat vertellen'. Ik kon het ook verbaal goed inpakken. Ik predikte in de cel in Schoonhoven, de plaats van opkomst en in de gevangenis in Rotterdam. Ik predikte overal waar ik maar kwam. Tegen dieren, bomen, mensen, want je bent zo geladen, dat spat eruit. Op 18 mei 1949 kreeg ik mijn erkenning als gewetensbezwaarde. Twee weken later moest ik in Vledder beginnen. Daar zaten zo'n 200 mensen en er zullen toch zeker zo'n 50 Getuigen bij zijn geweest. Wij hadden een zaal apart. We waanden ons van alle smetten vrij en deden ook nergens aan mee. Er was nooit een Getuige lid van de kampraad of een die meedeed met een toneelstukje. We stonden er volkomen buiten, we dienden het Koninkrijk Gods. We deden dus geen kwaad, maar traden in de gemeenschap asociaal op. Jehovah's Getuigen werden wel aanvaard, niet per se geplaagd. Maar als een Getuige optrad als een Getuige, dan werd hij niet aanvaard. Het systeem werd niet aan hem aangepast. Ik heb altijd geworteld met het absolutisme. Er ontstaat eenheid door, maar het sluit ook uit. Andere dienstweigeraars voelden dat aan en zeiden 'joh, wat is dat toch met jou? Je zit daar in die kamer, maar je doet toch mee aan ons cultureel werk en tóch blijf je die naam dragen.' Dat werd moeilijk, want toen werd ik van twee kanten aangepakt, zowel door de Getuigen als door de andersdenkende mensen. En toen heb ik ermee gebroken, maar ik heb nog wel jaren in die kringen van de Getuigen verkeerd.'[5]
In 1955 kwam vanuit het Amerikaanse hoofdkwartier van de Getuigen het bericht, dat ook de vervangende dienstplicht onacceptabel was. Accepteerden tallozen voordien de 'burgerdienstplicht', de doctrinaire mutatie betekende de aanvang van hun totaalweigering. Aanvankelijk deden de meesten een beroep op de wettelijke regeling, om dan na erkenning de burgerdienst in Vledder te weigeren. En sommigen, zo vermeldde een editie van het Militair Rechterlijk Tijdschrift met enige zorg reeds een jaar eerder, 'weigeren echter een beroep te doen op de Dienstweigeringswet omdat ze zich niet willen onderwerpen aan de in geval van erkenning volgende tewerkstelling in burgerdienst'. Omdat een dergelijke opstelling kennelijk vragen deed rijzen over de mentale gesteldheid van de jongeman in kwestie, werd geadviseerd een 'nauwkeurig psychiatrisch rapport omtrent betrokkene in te winnen, teneinde aan de hand daarvan de strafmaat te kunnen vaststellen'.[6] Cor Inja, de doopsgezinde geestelijk en maatschappelijk verzorger van de tewerkgestelden in Vledder, en één van de eerste weigeraars uit de jaren '20, adviseerde het Genootschap daarop de Getuigen geen beroep meer te laten doen op de wet, maar direct te weigeren. De achterliggende reden is enigszins complex, maar het kwam erop neer dat op deze wijze een minder lange gevangenisstraf moest worden uitgezeten. (Het is opmerkelijk overigens, dat Inja, gelet op zijn religieuze affiniteit, veel contact had met de Getuigen en voor hen met de overheid onderhandelde. Het Genootschap hield zich aanvankelijk afzijdig van ieder vorm van juridische ondersteuning voor de aanhangers). Gedurende de periode 1952-1974 zijn circa 850 Jehovah's Getuigen om die reden veroordeeld tot gevangenisstraffen, uiteenlopend van 6 maanden tot 3 jaar.
Niemand was blij met deze criminalisering van een religieuze overtuiging. Het ligt voor de hand dat dat in de eerste plaats gold voor de Getuigen zélf, maar het is de vraag of dat op allen van toepassing was. Toen de vaste kamercommissies voor Defensie en Justitie zich een aantal jaren geleden bogen over de totaalweigering en de strafrechtelijke consequenties daarvan, memoreerde het VVD-kamerlid Tripels hoe 'heel vreugdevol en blij' de Getuigen hun detentie destijds ondergingen. Dát kon toch niet de bedoeling zijn van het strafrecht, zo verzuchtte de liberale volksvertegenwoordiger.[7] Hij was niet de enige die aldus verwees naar het martelaarschap van het vroege Christendom. De Veenendaalse advocaat Spermon, die verschillende Getuigen pro deo voor de krijgsraad verdedigde, dacht er ook zo over: 'Ze wilden toch enigszins provocerend lijden voor hun geloof, een martelaar zijn'.[8] Maar wrang was het natuurlijk wel, want 'er zit natuurlijk wel iets scheefs in, dat een man die in dronkenschap een ander dood rijdt 6 weken krijgt, en een jongen die niet wil doden, twee jaar en drie maanden', aldus een woordvoerder van het Wachttorengenootschap in 1966.[9] Een 'u doet maar, ik kan niet anders' houding, zo typeerde een defensieambtenaar de houding van de Getuigen. Een bijkomend feit was, dat de Getuigen modelgevangenen waren. Tijdens het tijdelijke verblijf van één van hen in de strafinrichting in Nieuwersluis, werd de wijze waarop hij zijn kast inruimde als voorbeeld getoond voor de anderen. 'Zouden ze wellicht om die reden in Veenhuizen een betere behandeling dan hun medegevangenen hebben gehad?', aldus de toenmalige minister den Toom tijdens een vergadering van de vaste kamercommissie van Defensie in 1970.[10]
De Getuigen begonnen zich te vertonen op de agenda's van de beraadslagingen van de overheid. In politiek Den Haag was al geruime tijd een gevoel van onbehagen met de niet malse straffen die de Getuigen als gevolg van hun geloofsopvattingen kregen opgelegd. De media hadden aan de militair-juridische perikelen rondom de Jehovah's Getuigen nauwelijks aandacht besteed, maar daar kwam in 1971 verandering in. In juli van dat jaar kwam de zaak tegen de 19-jarige J.H. Dulmus kamerbreed in de kranten. De eerder genoemde jurist Spermon merkte tijdens een gloedvol pleidooi op dat zijn cliënt op dezelfde wijze vrijstelling diende te verkrijgen als de rooms-katholieke en protestantse geestelijken. Immers, Jehovah's Getuigen zijn niet slechts passieve gelovigen. Integendeel, ze houden zich voor een belangrijk gedeelte van de dag bezig met hun, door God opgelegde verplichting, de bijbelse boodschap uit te dragen. Iedere Getuige zou dus niets minder zijn dan een dominee of een pastoor, en die laatsten zijn immers wèl vrijgesteld van de dienstplicht. Rook dit niet naar discriminatie? Nee, vond de rechtbank, en veroordeelde de man tot een gevangenisstraf van 21 maanden. De publiciteit die deze zaak omringde resulteerde in kamervragen van de PVDA-er (èn pater!) van Ooijen.[11]
Het lijkt erop dat deze zaak voor de overheid een belangrijke aanzet is geweest om voor de Jehovah's Getuigen uiteindelijk een aparte regeling te ontwerpen. Die kreeg zijn beslag in 1974: in afwachting van een definitieve wetgeving kregen ze voorlopig uitstel van eerste oefening, hetgeen in de praktijk betekende volledige vrijstelling. Op 31 juli van dat jaar werden de laatste Getuigen uit Veenhuizen ontslagen. Zonder te verwijzen naar het alternatief van de vervangende dienstplicht, blikte De Wachttoren van 15 december terug: 'Het probleem was dat zich keurig gedragende jongemannen met kortgeknipt haar, wier enige 'misdaad' was dat zij weigerden zich te laten opleiden om anderen te doden, in de gevangenis werden gezet waar zij soms een langere straf moesten uitzitten dan de beroepsmisdadigers bij wie zij terechtkwamen'.
Meer dan twintig jaar later is de wettelijk regeling er nog steeds niet. Gelet op de op handen zijnde afschaffing van de opkomstplicht ziet het er ook niet naar uit dat die ooit zal komen. Een complicerende factor is namelijk voortdurend het handjevol andere totaalweigeraars geweest. Wat moest de overheid daarmee? Van gelijkstelling met de Getuigen was geen sprake, immers de motieven van de eersten liepen uiteen - vooropgesteld dàt men er al achter kwam, want een 'echte' totaalweigeraar heeft geen boodschap aan commissies die motivaties onderzoeken - terwijl men van de Getuigen precies wist waarom ze weigerden. Uit de discussies over deze materie die in de kamerstukken van de afgelopen twee decennia zijn vastgelegd, blijken twee dingen: het is ingewikkeld en iedere oplossing is onbevredigend. De toenmalige minister van Defensie de Ruiter vergeleek het maken van een wettelijke regeling voor totaalweigeraars zelfs met het oplossen van de kwadratuur van de cirkel. In 1986 leek een doorbraak in de impasse nabij als gevolg van een aangenomen motie van het CDA-kamerlid De Kwaadsteniet. Daarin werd betoogd dat de huidige rechtsongelijkheid tussen Jehovah's Getuigen en andere totaalweigeraars onjuist is en allen strafrechtelijk dienden te worden vervolgd. De bewindslieden legden deze motie echter naast zich neer. Achter deze verwerping leek een louter pragmatische, kwantitatieve overweging ten grondslag te liggen: waarom een groep gewetensbezwaarden criminaliseren, omdat er per jaar zich ook nog eens een enkele andersoortige totaalweigeraar meldt?[12] Het gewetenVoor de Getuigen was het probleem opgelost. In een memorie van toelichting op de wijziging van de Dienstplichtwet in 1988 argumenteerde de regering als volgt: 'De gedoopte Jehovah's getuigen vormen een afgesloten groep van personen die vanwege het genootschap waartoe zij behoren, aan bepaalde strikte gedragsregels zijn gebonden. Die gedragsregels beheersen vele aspecten van hun dagelijks leven en de naleving ervan is onderworpen aan een systeem van strakke informele sociale controle tussen de leden van het genootschap onderling. Tot die regels behoren enerzijds de afwijzing van onderwerping aan iedere vorm van militaire en vervangende dienstplicht en anderzijds de verplichting tot actieve inzet in de verkondiging van de leer en tot permanente beschikbaarheid ten behoeve van de verspreiding daarvan, op straffe van uitstoting. In dit laatste geval nemen de Jehovah's getuigen een van de overige totaalweigeraars afwijkende positie in, welke een bijzondere benadering rechtvaardigt. (...) Vervalt voor een bepaalde Jehovah's Getuige de grond tot het verleende uitstel of, anders gezegd, zijn bovengenoemde kwalificaties niet meer op deze getuige van toepassing, dan maakt het Wachttorengenootschap (de overkoepelende organisatie van de Jehovah's Getuigen, RS) zulks kenbaar aan het ministerie van defensie. Het gevolg daarvan is, dat intrekking geschiedt van het uitstel van eerste oefening voor het betreffende individu en deze weer in aanmerking komt voor een oproep in werkelijke dienst.'
Zou men op grond van deze formulering mogen concluderen dat er hier sprake is van wezenlijke gewetensnood? Bijvoorbeeld in de zin, zoals de jurist W.A.Holland dit formuleert in zijn proefschrift Gewetensbezwaren en strafuitsluitingsgronden '(...) een functie van de geest van de individuele mens, waarbij in een concreet geval aan hem met absoluut gezag wordt geopenbaard of zijn persoonlijke gedrag goed dan wel slecht is'? Of hebben we te maken met een adhesiebetuiging waar een calculerende aanvaarding van een groepsregel aan ten grondslag ligt? Het voorbeeld van de Zweedse regering, die jegens de Getuigen een eensluidend beleid als de Nederlandse overheid hanteert, is instructief. Het fragment is identiek met het eerste gedeelte van de bovenstaande memorie van toelichting, tot en met '(...) iedere vorm van militaire en vervangende dienstplicht'.[13] De Zweedse tekst vervolgt aldus: "It follows that membership of Jehovah's Witnesses constitutes strong evidence that the objections to compulsory service are based on genuine religious convictions" (mijn cursivering, RS). Met andere woorden: het volgen van een gedragsregel impliceert een diepe religieuze overtuiging. De Nederlandse regering maakt deze curieuze gedachtesprong niet, hoewel ook zij overtuigd is van de oprechtheid van dat geweten en meent dat de bovenstaande motivatie veel gelijkenis vertoont met die van de Nederlandse rechterlijke instanties.[14] Volgens de bewindslieden is de oprechtheid van het gewetensbezwaar van de Getuigen boven iedere twijfel verheven. Hoe dat is onderzocht, blijft duister. Zo heeft de Raad van State in 1975 'de stellige indruk' dat er sprake is van 'wezenlijke gewetensnood', maar de basis voor deze veronderstelling is louter en alleen gebaseerd op een brief van het Wachttorengenootschap.[15] Nog los van de vraag of het volgen van opgelegde regels als een fundamenteel gewetensbezwaar kan worden geclassificeerd, is er een verschil tussen de officiële doctrinaire visie en de wijze waarop sommige volgelingen hun standpunt daarover innemen. Aan het woord een 22-jarige Getuige, die voor de afstelregeling in aanmerking is gekomen. Ik vroeg hem hoe hij gereageerd zou hebben indien de leerstelling zou veranderen - ik schreef het al eerder: de Getuigen hebben ervaring met doctrinaire herinterpretaties - en er geen bezwaar zou bestaan tegen het vervullen van de vervangende dienstplicht:
"Vooropgesteld dat zoiets zou gebeuren, zou ik geen bezwaren hebben om bijvoorbeeld als verpleger te werken. Ik heb altijd wat moeite met die leerstelling gehad, het zit allemaal wel heel logisch in elkaar, maar als je diep in mijn hart kijkt, tja, dan heb ik toch andere ideeën daarover. Je bent dan toch heel menslievend bezig en wat kan daar op tegen zijn? Ik word wel uitgesloten (verwijdering uit de Getuigen-gemeenschap, RS), dat is een probleem, maar als ik zo 's met andere broeders (mede-Getuigen, RS) van mijn leeftijd praat, daar hoor ik wel eens van dit soort geluiden, dan denk ik van nou, we hebben toch maar mooi mazzel".
Dat klinkt toch heel anders dan de lectuur van het Wachttorengenootschap doet voorkomen. In het boek Verenigd in de aanbidding van de ene ware God uit 1983 wordt de ideale Getuige annex dienstweigeraar geportretteerd:
'Wanneer hun wordt gevraagd hun standpunt uiteen te zetten, laten Jehovah's Getuigen duidelijk weten dat zij als personen die zich aan God hebben opgedragen, verplicht zijn hun lichaam in zijn dienst te gebruiken en het dus niet ter beschikking kunnen stellen aan aardse meesters, die in strijd met Gods voornemen handelen. Waarom? Omdat zij Gods vereisten hebben bestudeerd en daarna een persoonlijke gewetensvolle beslissing hebben genomen'.(p.167)
De mogelijkheid van een leerstellige wijziging van de dienstplichtafwijzing was evenwel minder theoretisch dan de geïnterviewde kon vermoeden. Aan het einde van de jaren '70 heeft de Amerikaanse top van het Wachttorengenootschap namelijk een wereldwijde inventarisatie gehouden om de meningen van de aanhang te peilen over weigering van vervangende dienstplicht. Omdat Getuigen, met uitzondering van Nederland en Zweden, alom in de gevangenis belandden - in Griekenland werd in een aantal gevallen zelfs het doodvonnis tegen Getuige-dienstweigeraars uitgesproken - werd het leiderschap in New York voortdurend geconfronteerd met de vraag wat de rationale was achter de totaalweigering. De uitkomst van het onderzoek was opmerkelijk. Uit het commentaar van talloze landelijke vestigingen bleek, dat de individuele weigeraar zich nauwelijks kon vinden in de doctrinaire standpunten, zoals die door de organisatie waren geformuleerd. Echter, louter uit loyaliteit met de beweging stelde men zich achter het beleid. Het resultaat hiervan was dat het leiderschap van de beweging in 1978 het totaalweigeringsprincipe op de agenda plaatste. In een eerste stemmingsronde werd het voorstel aangenomen, dat het weigeren van vervangende dienstplicht voortaan werd overgelaten aan het individuele geweten van de volgeling. Het vereiste quorum om deze beslissing te doen transformeren in een doctrinewijziging was echter niet aanwezig. In een latere stemming was dat wel het geval. Op één stem na werd de vereiste tweederde meerderheid echter niet gehaald. De regeling bleef onveranderd.[16]
Reeds in 1976 wees PVDA-kamerlid Klaas de Vries via een artikel in NRC-Handelsblad op deze 'gewetensflexibiliteit'. Zijn partijgenoot De Waart herhaalde dit tien jaar later tijdens een vergadering van de vaste commissies voor Justitie en Defensie, alwaar totaalweigering voor de zoveelste maal aan de orde kwam.[17] Verder heeft dit aspect, voor zover dat blijkt uit schriftelijke stukken, in de totale besluitvorming geen aandacht gekregen. Kennelijk werd een nadere bezinning hierop niet nodig geacht. Herhaaldelijk wijst de regering erop dat er geen enkele twijfel bestaat over de oprechtheid van de stellingname van de Getuigen, immers, zo stelde de toenmalige staatssecretaris van Lent: 'Jarenlange onderzoekingen hebben duidelijk gemaakt dat de Jehovah's Getuigen de dienstplicht volstrekt afwijzen'.[18] Details over die 'onderzoekingen' heeft de bewindsman niet verstrekt, maar alles wijst erop deze conclusie louter en alleen was gebaseerd op het officiële standpunt, zoals dat door de overkoepelende organisatie van de Getuigen wordt gepresenteerd.[19] De actieve verkondigerVolgens de eerder vermelde memorie van toelichting dient de Getuige die voor de regeling in aanmerking komt, gedoopt te zijn, blijk te geven een actief te verkondigen en daar ook voortdurend voor beschikbaar te zijn. Voldoet hij niet meer aan de eisen, dan ontvangt hij alsnog een oproep om de dienstplicht te vervullen. Wat is de praktijk?
Over het dopen kunnen we kort zijn: niet gedoopt, geen regeling. Maar hoe zit het met dat actieve verkondigen? Eigenlijk zijn er twee soorten Jehovah's Getuigen: een meerderheid (in Nederland ruim 30,000), die ongeveer 10 uur maand aan het verkondigen besteedt en een minderheid (ongeveer 10.000), die, om wat voor reden dan ook, dat nooit doet. De eersten zijn de actieven, die de ongeschreven wet van 10 uur (meestal in het weekend) trachten te volbrengen, de tweede categorie wordt door de Getuigen inactief genoemd, zeg maar de slapende volgelingen. In de beraadslagingen van de overheid stuit men met enige regelmaat op het door het Wachttorengenootschap naar voren gebrachte argument, dat het vervullen van de vervangende dienstplicht de predikingsactiviteiten zou bemoeilijken of beperken.[20] Zo meende G.W.Caron, in de jaren '70 woordvoerder van het Wachttorengenootschap: 'Het is ook erg vervelend voor ons om ergens in Den Haag te gaan werken. Daar kennen we dan niemand zodat we ons evangelisatiewerk niet kunnen verrichten'.[21] Het bracht GPV-kamerlid Verbrugh ertoe aan de verantwoordelijke minister te vragen waarom 'iemand die vervangende dienstplicht vervult, in zijn vrije uren niet dezelfde soort handelingen kan verrichten als in zijn vrije uren van een voor particuliere rekening vervulde beroepsfunctie'. Minister Vredeling herhaalde slechts het eerder genoemde argument van het Wachttorengenootschap.[22]
In tegenstelling tot wat de regering beweert, wordt een inactieve Getuige niet geëxcommuniceerd. Uitstoting vindt alleen plaats, indien belangrijke morele regels zijn overtreden en dan nog alleen maar als de zondaar er geen berouw over heeft. Het theologisch systeem van het Wachttorengenootschap voorziet namelijk niet in sancties op het nalaten van verkondigingsactiviteiten, behalve het niet kunnen vervullen van bepaalde functies binnen de gemeenschap der gelovigen. Behalve een vraag van toenmalig PPR-kamerlid Lankhorst, wijst niets erop, dat zowel de verantwoordelijke bewindslieden als de volksvertegenwoordiging gedurende de afgelopen 20 jaar van dit aspect op de hoogte waren.[23] Indien een Getuige, bijvoorbeeld op grond van overspel, wordt uitgestoten of zelf heeft kenbaar gemaakt niet langer verbonden te willen blijven aan de organisatie, alleen dan zal het Nederlandse hoofdkwartier in Emmen via de lokale gemeente hiervan op de hoogte worden gesteld. Als het iemand betreft, die onder de vrijstellingsregeling is gevallen, zou het ministerie van Defensie daarover dienen te worden ingelicht. De vraag is echter of dat in alle gevallen plaatsvindt:
D. is opgevoed als Jehovah's Getuige. Hij is gedoopt en was een actieve verkondiger. Hij wordt goedgekeurd voor het leger. Via zijn lokale gemeente wordt aan de Nederlandse hoofdvestiging van het Wachttorengenootschap gevraagd het Ministerie van Defensie te verzoeken om op D. de gebruikelijke uitstelregeling toe te passen. Het verzoek wordt toegestaan. Als D. 21 jaar is, is hij op het standpunt gekomen dat hij zich niet langer met de leerstellingen van zijn geloof kan verenigen. Hij deelt dit schriftelijk mee aan zijn lokale gemeente van de Jehovah's Getuigen. Op dat moment zijn op hem de regels van uitgestotene van toepassing. Dit heeft bijna vier jaar geleden plaatsgevonden. Tot nu toe heeft D. geen oproep ontvangen om de dienstplicht alsnog te vervullen, noch enige andere mededeling die daarop betrekking heeft.
Van inactieve verkondigers wordt op centraal niveau geen overzicht bijgehouden. Past men het 25% inactiviteitspercentage toe op hen die in de periode 1975-1993 in aanmerking zijn gekomen voor de regeling, dan blijkt het volgende: uitgaande van een gemiddeld aantal van 150 Getuigen per jaar, zijn in de onderhavige periode ongeveer 3000 aanhangers vrijgesteld. Van deze groep zouden dus 750 personen alsnog in aanmerking gekomen moeten zijn voor de vervulling van de dienstplicht. Volgens de Directie Dienstplichtzaken meldt het Wachttorengenootschap jaarlijks 5 à 10 personen aan, die niet meer voor de regeling in aanmerking komen. Over de totale periode betekent dit een maximum van circa 200 individuen. Populair gezegd lijkt het erop, dat jaarlijks zo'n 30 Getuigen de dans op oneigenlijke gronden ontspringen. Waarschijnlijk is dit cijfer nog aan de lage kant, want juist de jonge Getuigen laten het qua verkondigingsinzet nogal eens afweten. Er is nog een derde categorie Getuigen, de zogenaamde 'pioniers'. Op vrijwillige basis hebben ze zich verplicht per maand een minimum van 80 uur aan het evangeliseren te besteden. De omvang van deze groep is variabel, maar gemiddeld bedraagt die ongeveer 4% van het totale aantal Getuigen. De permanente beschikbaarheid, waar de regeringsnota over spreekt, is slechts van toepassing op deze groep en dan nog slechts op een deelverzameling daarvan. Er is dus geen sprake van dat dit voor iedere Getuige geldt (zie noot 21). BackstageMaar waar praten we eigenlijk over? De vrijgestelde Jehovah's Getuigen vormen nog geen half procent van alle dienstplichtigen. Afgezien daarvan staat de hele dienstplichtwetgeving op de helling. Dus waarom zo'n drukte over die paar jongens? Er zal qua ontduiking van de dienstplicht nog wel meer gesjoemeld worden. Wat echter in dit kader belangrijk is, dat zowel overheid als rechtspraak een verwijzing van een gewone totaalweigeraar naar de uitzonderingspositie van de Jehovah's Getuigen voortdurend immuniseren. Er wordt namelijk gewezen op argumenten die, nader beschouwd, niet kloppen. Weliswaar stelden sommige kamerleden wel eens wat vragen in die richting, maar het is duidelijk dat de regering zich volledig hebben laten leiden door de officiële visie van het Wachttorengenootschap: het standpunt dat de socioloog Goffman ooit als frontstage betitelde.[24]
Het is de wijze waarop iedere groepering graag door de buitenwereld aanschouwd wenst te worden, de respectabele presentatie, datgene waarvoor PR-functionarissen worden ingehuurd. Maar dat is slechts één zijde van de medaille: want wie een kijkje gaat nemen achter de klapdeuren van het zo eerbiedwaardig ogende restaurant, ontwaart de chaos van de keuken. Daar wordt wellicht geschreeuwd, daar verandert de voorkomende ober als een kameleon in een vloekende rouwdouwer. Het is het gebied dat in principe ontoegankelijk is voor de gast, de backstage van het sociale domein dat alleen leden van de groep mogen zien. En des te steviger een sociale groepering haar grenzen met de buitenwereld vergrendeld, des te moeilijker wordt het die backstage te aanschouwen. Dat geldt in het bijzonder voor religieuze bewegingen, waarvan de aanhangers zich ogenschijnlijk zo massaal achter de formele ideologie scharen. Hun waarachtige beleving daarvan is echter vaak aanzienlijk genuanceerder dan de uiterlijke presentatie doet vermoeden. Ook de overheid blijkt zich niet altijd bewust te zijn van de axioma's van het sociale leven. Noten[1] Het Vrije Volk, 22 juli '67 [2] Handelingen Tweede Kamer 1977-'78, 11155, nr.45, p.3 [3] Ontwaakt! 22 maart '75 [4] Toch hebben in 1951 twee Getuigen, die hadden geweigerd om voor de keuring te verschijnen, voor de Alkmaarse rechtbank met succes van dit argument gebruik gemaakt. Ze werden vrijgesproken, omdat ze konden aantonen dat ze van hun predikingswerk een dagtaak maakten. (Het Vrije Volk, 20 dec. '51) [5] in G.Termeer e.a. Dienstweigeraars. Over dienstweigering en verzet tegen het militarisme vanaf de eeuwwisseling tot nu. Amsterdam, LINK, 1984 [6] Militair Rechterlijk Tijdschrift, jaargang 47, 1954, pp. 385, 386 [7] 46e vergadering Vaste commissies voor Justitie en voor Defensie, 3 februari 1986, p. 46-12 [8] Haagse Courant 1 aug. 74. Spermon's uitlating, als zouden de Getuigen nooit een beroep doen op de wet gewetensbezwaarden', is, zoals reeds geschetst, aantoonbaar onjuist. [9] Het Vrije Volk 10 sept. '66 [10] Tweede Kamer, zitting 1970-'71, Vaste Commissie voor Defensie, 1e vergadering, 16 november '70, p. K13, K14 [11] Zie o.a. De Volkskrant 15 juli '71, De Tijd 22 juli '71 en Vrij Nederland 28 augustus '71. Voor de kamervragen, zie Aanhangsel tot het Verslag van de Handelingen der Tweede Kamer, Zitting 1971, p. 795. 'Zelfs kloosterbroeders, die niet eens priester zijn, vallen onder de vrijstelling', aldus de kritische verwijzing van van Ooijen in VN naar de regeling, waarin het bekleden van een geestelijk ambt een reden voor vrijstelling is. [12] Zie de discussie hierover in het Nederlands Juristenblad van 18 juni 1988. [13] De toenmalige bewindslieden lijken hun sociologische 'analyse' van het Wachttorengenootschap deels letterlijk vertaald te hebben uit de Engelse tekst van hun Zweedse ambtgenoten. [14] Handelingen Tweede Kamer 1984-'85, 18934, nrs. 1 en 2, p.5. De Zweedse Norenius-casus wordt daarin voor een gedeelte letterlijke aangehaald. [15] Handelingen Tweede Kamer 1985-'86, 19200, hoofdstuk X, nr. 63, p.2 [16] R.Franz In Search of Christian Freedom. Atlanta: Commentary Press, 1991, p. 256-270. De auteur is voormalig lid van de top van het Wachttorengenootschap. [17] Resp. NRC-Handelsblad 28 september 1976 en Handelingen Tweede Kamer 1985-'86, UCV 46, pp.46-7 [18] Handelingen Tweede Kamer 1977-'78, 11155, nr.45, p.5. [19] Ook de Raad van State volgde deze gedachtegang: men heeft 'de stellige indruk dat bij de betrokkenen inderdaad in de eerste plaats sprake is van een wezenlijke gewetensnood'. Deze conclusie baseerde men louter op een, op verzoek van de Raad, ingezonden brief van het Wachttorengenootschap. (Handelingen Tweede Kamer 1985-'86, 19200, hoofdstuk X, nr.63, p.2) [20] Zie bijv. Handelingen Tweede Kamer 1975-'76, 11155, nr.14, p.2. [21] Haagse Courant, 1 aug. 74. Overigens zal menig Getuige vraagtekens hebben gezet achter deze laatste uitlating. Caron's interpretatie van Mattheüs 24:14, het vers dat men kan beschouwen als het Leitmotiv van de beweging, wijkt namelijk duidelijk af van de officiële exegese van het Wachttorengenootschap. Volgens de doctrine zou ieder Getuige in principe overal het 'Goede Nieuws' dienen te verkondigen. Dat de praktijk daarvan afwijkt, is een ander verhaal, immers de meesten evangeliseren in hun eigen omgeving. Een klein gedeelte uit de categorie van de pioniers en reizende opzieners - dat zijn er enkele tientallen - zijn echter alom inzetbaar. [22] Handelingen Tweede Kamer 1976-'77, Militaire dienst, p.1479 [23] Handelingen Tweede Kamer 1987-'88, 20334/20336 (R 1341), nr.4, p.11 [24] E.Goffman The Presentation of Self in Everyday Life. New York: Doubleday, 1959
(Religieuze Bewegingen in Nederland, nr. 31, 1996. Een verkorte versie is gepubliceerd in het Nederlands Juristenblad, 20 mei 1994 en HN-magazine, 1 april 1995)
| |