Dit artikel is een bespreking van het boek
Getrouw aan hun geloof. De vervolging van de Nederlandse Jehovah’s Getuigen
in de Tweede Wereldoorlog van Tineke Piersma, uitgegeven in 2005 door
Van Guting, Westervoort
Deze studie, geïnitieerd door de Stichting 1940-1945, is de weerslag van een
eerste onderzoek naar de lotgevallen van de Jehovah’s Getuigen (JG) tijdens
de Duitse bezetting. Het boek bestaat uit twee delen. Op basis van
archiefmateriaal schetst Piersma in het eerste deel ontstaan en ontwikkeling
van de JG en de overkoepelende organisatie, het Wachttorengenootschap (WTG),
een uiteenzetting van hun vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog en het
proces dat heeft geleid tot hun erkenning als verzetsslachtoffers. Deel II
bevat 14 interviews met JG over hun ervaringen in de jaren 1940-’45.
Het is duidelijk dat de bezetter korte metten
wilde maken met deze religieuze groepering die in Duitsland al snel na de
machtsovername van Hitler werd verboden. De aanvankelijk vermeende band
tussen het WTG en de joods-bolsjewistische samenzwering en de weigering van
de JG zich te onderwerpen aan de staat door hun verwerping van niet alleen
de militaire dienstplicht, maar ook de symboliek van het nazisme (zoals de
Hitlergroet) maakte het WTG in de ogen van het gezag tot een ideologisch Fremdkörper dat verpletterd diende te worden. Al enkele dagen na de inval in
mei 1940 werden leidinggevende JG gearresteerd en een paar weken later
vaardigde Seys-Inquart een algeheel verbod uit op hun activiteiten.
Ondanks felle vervolging en deportatie naar
concentratiekampen, gingen de JG onverdroten voort met het brengen van hun
heilsleer die duidelijk maakte dat de mensheid zich voor redding diende te
richten op Gods aanstaande millennium en niet op het 1000-jarige rijk dat in
Berlijn was bedacht. De combinatie van eindtijddoctrine,
ongekende groepscohesie en onderlinge sociale controle droegen ertoe bij dat
de nazi’s er niet in slaagden de beweging volledig uit te schakelen.
Integendeel: waren er in 1940 ongeveer 500 JG in Nederland, bij de
bevrijding was dit aantal meer dan verzesvoudigd.
Op chronologische wijze behandelt Piersma een aantal aspecten van de
vervolging, zoals de ondergrondse activiteiten en de inventiviteit van de JG
om tijdens hun illegale huis-aan-huis prediking en samenkomsten, arrestatie
te voorkomen. Desondanks zijn er tussen 1940 en ’45 circa 540 JG
aangehouden. Meer dan 300 zijn op transport gesteld naar de Duitse kampen
(voornamelijk Neuengamme en Ravensbrück) waar er 120 zijn omgekomen. Ook hun
belevenissen in gevangenschap komen uitvoerig aan de orde. Daarin speelde
vooral de vermaledijde afzweringsverklaring een belangrijke rol. Door dit
document te tekenen nam de gearresteerde JG afstand van zijn of haar
geloofsovertuigingen waarna men werd vrijgelaten; slechts weinigen hebben
hiervan gebruik gemaakt, deels uit oprechte overtuiging, deels uit vrees
voor excommunicatie wat onherroepelijk zou leiden tot sociaal isolement.
Na jarenlang gekissebis tussen
overheidsinstanties is in 1978 besloten de JG te erkennen als
verzetsdeelnemers, zodat zij en eventuele nabestaanden in aanmerking zouden
komen voor de speciale pensioenregeling. Daarbij is ‘verzet’ gedefinieerd
als het actief deelnemen aan de openbare evangelisatie, dus in feite het
bevestigen van een van de vereisten van hun religieuze identiteit. De
schrijfster heeft zich niet gewaagd aan een discussie over deze
classificatie, hoewel de inmiddels aanzienlijke hoeveel Duitse literatuur
daartoe voldoende aanleiding geeft. Zo stelt de historicus Garbe dat het
verzet van de JG louter en alleen gericht was op loyaliteit aan hun
theocratie en niet op het herstel van vrijheid en democratie voor allen. De JG mochten dan radicaal en non-conformistisch zijn, het gaat volgens Garbe
te ver om ze verzetsstrijders te noemen want subversief waren ze nauwelijks
(1)
In het verlengde daarvan heeft het WTG, in
tegenstelling tot de nabestaanden van de Sinti en Roma en de joodse
slachtoffers van de holocaust, aangegeven geen behoefte te hebben aan
schadevergoedingen van de regering voor het aangedane oorlogsleed. Of dit
ook de mening is van de aanhangers laat Piersma in het midden. De interviews
in het tweede deel, die het karakter hebben van korte levensgeschiedenissen
zouden daarover wellicht uitkomst kunnen bieden, maar deze vraag is daarin
niet aan de orde gekomen.
Het is duidelijk dat de afzijdige en enigszins
afwerende opstelling van het WTG in de naoorlogse discussies over de positie
en de rechten van de JG voortvloeien uit de theologische optiek van
wereldafzijdigheid; het seculiere bestel is in de ogen van het WTG anathema,
dus de bemoeienis van deze doctrinaire tegenstander moet tot een
noodzakelijk minimum beperkt blijven. Ook dit leerstellige facet laat Piersma buiten beschouwing. Deze omissie is kenmerkend voor het overigens
zeer leesbare en vlot geschreven boek, waarin echter iedere vorm van en
verwijzing naar meta-analyse ontbreekt. De auteur had ten minste kunnen
speculeren over de wezenlijke aard van het conflict tussen het WTG en het
nazisme, namelijk de onverenigbaarheid van twee autoritaire en
absolutistische systemen met een concurrerende eschatologie.
Daarbij had ze gebruik kunnen maken van Duits
onderzoek, maar het is mogelijk dat dergelijke theoretische exercities
buiten de opdracht vielen die aan Piersma is gegeven. Tot slot is het
opmerkelijk dat historici in de afgelopen zestig jaar dit onderzoeksterrein
braak hebben laten liggen en dat deze studie pas mogelijk is geworden door
een financiële overheidsinjectie dankzij de recente teruggave van door
nazi-Duitsland geroofd goud. Voor een belangrijk gedeelte is deze verlate
belangstelling toe te schrijven aan het impopulaire karakter van de beweging
en de traditionele argwaan van het WTG jegens buitenstaanders die zich
interesseren voor de JG als onderzoeksobject. Wellicht dat deze nieuwe, zij
het beperkte openheid – Piersma had zelf geen toegang tot het WTG-archief –
aanleiding is tot kleinschalige en meer diepgaande gevalsbeschrijvingen.
(Oorspronkelijk gepubliceerd in Tijdschrift
voor Geschiedenis, nr. 1 (januari) 2006, jaargang 119) |