weblogo.jpg
weblogo2.jpg
line.jpg
wpbb882dfd.png

Home

Vervolging

Vervolging in Duitsland

Vervolging in Nederland

Contact

 

flag_uk.jpg
weblogo_JG-1.jpg

De nazi-vervolging in Nederland

 

 

Dit artikel is een bespreking van het boek Getrouw aan hun geloof. De vervolging van de Nederlandse Jehovah’s Getuigen in de Tweede Wereldoorlog van Tineke Piersma, uitgegeven in 2005 door Van Guting, Westervoort

 

Deze studie, geïnitieerd door de Stichting 1940-1945, is de weerslag van een eerste onderzoek naar de lotgevallen van de Jehovah’s Getuigen (JG) tijdens de Duitse bezetting. Het boek bestaat uit twee delen. Op basis van archiefmateriaal schetst Piersma in het eerste deel ontstaan en ontwikkeling van de JG en de overkoepelende organisatie, het Wachttorengenootschap (WTG), een uiteenzetting van hun vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog en het proces dat heeft geleid tot hun erkenning als verzetsslachtoffers. Deel II bevat 14 interviews met JG over hun ervaringen in de jaren 1940-’45.

 

Het is duidelijk dat de bezetter korte metten wilde maken met deze religieuze groepering die in Duitsland al snel na de machtsovername van Hitler werd verboden. De aanvankelijk vermeende band tussen het WTG en de joods-bolsjewistische samenzwering en de weigering van de JG zich te onderwerpen aan de staat door hun verwerping van niet alleen de militaire dienstplicht, maar ook de symboliek van het nazisme (zoals de Hitlergroet) maakte het WTG in de ogen van het gezag tot een ideologisch Fremdkörper dat verpletterd diende te worden. Al enkele dagen na de inval in mei 1940 werden leidinggevende JG gearresteerd en een paar weken later vaardigde Seys-Inquart een algeheel verbod uit op hun activiteiten.

 

Ondanks felle vervolging en deportatie naar concentratiekampen, gingen de JG onverdroten voort met het brengen van hun heilsleer die duidelijk maakte dat de mensheid zich voor redding diende te richten op Gods aanstaande millennium en niet op het 1000-jarige rijk dat in Berlijn was bedacht. De combinatie van eindtijddoctrine,

ongekende groepscohesie en onderlinge sociale controle droegen ertoe bij dat de nazi’s er niet in slaagden de beweging volledig uit te schakelen. Integendeel: waren er in 1940 ongeveer 500 JG in Nederland, bij de bevrijding was dit aantal meer dan verzesvoudigd.

 

Op chronologische wijze behandelt Piersma een aantal aspecten van de vervolging, zoals de ondergrondse activiteiten en de inventiviteit van de JG om tijdens hun illegale huis-aan-huis prediking en samenkomsten, arrestatie te voorkomen. Desondanks zijn er tussen 1940 en ’45 circa 540 JG aangehouden. Meer dan 300 zijn op transport gesteld naar de Duitse kampen (voornamelijk Neuengamme en Ravensbrück) waar er 120 zijn omgekomen. Ook hun belevenissen in gevangenschap komen uitvoerig aan de orde. Daarin speelde vooral de vermaledijde afzweringsverklaring een belangrijke rol. Door dit document te tekenen nam de gearresteerde JG afstand van zijn of haar geloofsovertuigingen waarna men werd vrijgelaten; slechts weinigen hebben hiervan gebruik gemaakt, deels uit oprechte overtuiging, deels uit vrees voor excommunicatie wat onherroepelijk zou leiden tot sociaal isolement.

 

Na jarenlang gekissebis tussen overheidsinstanties is in 1978 besloten de JG te erkennen als verzetsdeelnemers, zodat zij en eventuele nabestaanden in aanmerking zouden komen voor de speciale pensioenregeling. Daarbij is ‘verzet’ gedefinieerd als het actief deelnemen aan de openbare evangelisatie, dus in feite het bevestigen van een van de vereisten van hun religieuze identiteit. De schrijfster heeft zich niet gewaagd aan een discussie over deze classificatie, hoewel de inmiddels aanzienlijke hoeveel Duitse literatuur daartoe voldoende aanleiding geeft. Zo stelt de historicus Garbe dat het verzet van de JG louter en alleen gericht was op loyaliteit aan hun theocratie en niet op het herstel van vrijheid en democratie voor allen. De JG mochten dan radicaal en non-conformistisch zijn, het gaat volgens Garbe te ver om ze verzetsstrijders te noemen want subversief waren ze nauwelijks.

In het verlengde daarvan heeft het WTG, in tegenstelling tot de nabestaanden van de Sinti en Roma en de joodse slachtoffers van de holocaust, aangegeven geen behoefte te hebben aan schadevergoedingen van de regering voor het aangedane oorlogsleed. Of dit ook de mening is van de aanhangers laat Piersma in het midden. De interviews in het tweede deel, die het karakter hebben van korte levensgeschiedenissen zouden daarover wellicht uitkomst kunnen bieden, maar deze vraag is daarin niet aan de orde gekomen.

 

Het is duidelijk dat de afzijdige en enigszins afwerende opstelling van het WTG in de naoorlogse discussies over de positie en de rechten van de JG voortvloeien uit de theologische optiek van wereldafzijdigheid; het seculiere bestel is in de ogen van het WTG anathema, dus de bemoeienis van deze doctrinaire tegenstander moet tot een noodzakelijk minimum beperkt blijven. Ook dit leerstellige facet laat Piersma buiten beschouwing. Deze omissie is kenmerkend voor het overigens zeer leesbare en vlot geschreven boek, waarin echter iedere vorm van en verwijzing naar meta-analyse ontbreekt. De auteur had ten minste kunnen speculeren over de wezenlijke aard van het conflict tussen het WTG en het nazisme, namelijk de onverenigbaarheid van twee autoritaire en absolutistische systemen met een concurrerende eschatologie.

 

Daarbij had ze gebruik kunnen maken van Duits onderzoek, maar het is mogelijk dat dergelijke theoretische exercities buiten de opdracht vielen die aan Piersma is gegeven. Tot slot is het opmerkelijk dat historici in de afgelopen zestig jaar dit onderzoeksterrein braak hebben laten liggen en dat deze studie pas mogelijk is geworden door een financiële overheidsinjectie dankzij de recente teruggave van door nazi-Duitsland geroofd goud. Voor een belangrijk gedeelte is deze verlate belangstelling toe te schrijven aan het impopulaire karakter van de beweging en de traditionele argwaan van het WTG jegens buitenstaanders die zich interesseren voor de JG als onderzoeksobject. Wellicht dat deze nieuwe, zij het beperkte openheid – Piersma had zelf geen toegang tot het WTG-archief – aanleiding is tot kleinschalige en meer diepgaande gevalsbeschrijvingen.

 

(Oorspronkelijk in Tijdschrift voor Geschiedenis, januari 2006)

 

wp3d45d2d1_0f.jpg
wpc6ab60da_0f.jpg

Een plakbiljetje dat de Getuigen tijdens hun prediking gebruikten. De Sicherheitspolizei had de Nederlandse politie gewaarschuwd speciaal te letten op individuen die deze pamfletjes aanplakten.