Het wereldbeeld van de Jehovah's Getuige

 


 

 

In 1987 kapseisde de Herald of Free Enterprise in de haven van Zeebrugge. De boegdeuren bleken open te staan, waardoor het water vrij naar binnen kon stromen. Bijna 200 opvarenden verdronken. Hoe zoiets mogelijk was? Wel, een Jehovah's Getuige had zijn voet tussen de deur gezet.

 

Dit verhaal hoorde ik niet lang na de ramp uit onverdachte hoek, namelijk van een Jehovah's Getuige zèlf. Hij refereerde daarmee duidelijk aan het hardnekkige beeld dat de buitenwereld van deze geloofsgroepering heeft: op zondagmorgen, bij voorkeur om half negen en in miezerig en koud weer, teisteren deze religieuze fanatici het nog in diepe rust verkerende ongelovige deel van de samenleving om te waarschuwen voor de op handen zijnde apocalyps. Om van het gezeur van de ijverige evangelist af te zijn zal een enkeling wellicht De Wachttoren of Ontwaakt! aanschaffen. Desnoods gaat de voet tussen de deur, al dan niet voorzien van schoenen met stalen neuzen.

 

Het is het onverwoestbare stereotype van de volgelingen het Wachttoren- Bijbel- en Tractaatgenoot­schap, kortweg het Genootschap, de officiële naam van de overkoepelende organisatie van de Jehovah's Getuigen. En ervaren velen hun predikingsgedrag als irritant, ronduit omstreden is hun weigering om bloedtransfusies te accepteren. Volgens de exegese van enkele oudtestamentische zinsneden is bloed zó heilig, dat, wil men een kans maken om Armageddon te overleven, zich er verre van dient te houden. En mocht dat niet genoeg zijn, het is de aanhangers tevens verboden verjaardagen te vieren, erkende christelijke feestdagen zoals kerstmis zijn eveneens taboe en op de oudejaarsavond zullen de oliebollen en de nieuwjaarwensen ontbreken. Ook onthouden de Getuigen - zo heten ze in het kort, en niet "Jehovah's", want dat duidt volgens hen op de naam van God - zich van het actief en passief kiesrecht, het Wilhelmus zingen ze niet mee en hoewel ze zich fel kanten tegen het pacifisme, erkent de Nederlandse regering ze als totaalweigeraars. De sociologische kenmerken die op de meeste sektarische groepen van toepassing zijn, gelden ook hier: een strikte sociale controle op het doen en laten van de leden, een gesloten groepssysteem waartoe men slechts via een langdurige (re)socialisatie toegang krijgt en een hiërarchisch leiderschap dat waakt over een totalitaire ideologie.

 

"Da's niet gezond voor een mens", aldus menig sceptische buitenstaander. Dat laatste zou ook gebleken zijn uit een boek van de psycholoog en ex-Getuige Bergman, waar Psychologie in de aflevering van april j.l. aandacht aan besteedde.[1] De leerstellingen zouden de oorzaak zijn van een groot aantal psychische stoornissen, groter in ieder geval dan bij niet-Getuigen. De aanhangers zouden gebukt aan onder schuldgevoelens als gevolg van het verbod te masturberen, de ontzegging om verjaardagen te vieren en te lachen om schuine moppen alsmede het taboe op hobby's en sportbeoefening. Opvallende kleding en haardracht kunnen God’s toorn opwekken. Tenslotte zouden volgens de auteur veel Getuigen zwaar overspannen raken omdat ze maar liefst 20 uur per week aan hun missionaire activiteiten besteden. En een bezoek aan de professionele hulpverlening is er niet bij: psychische trauma's zijn veroorzaakt door Satan en veronachtzaming van de godsdienstige plichten. De ideale remedie tegen een depressie is een actievere deelname aan de van huis-tot-huis prediking.

 

JG en psychiatrie

 

Ik grijp Bergman's studie aan omdat het een mooi voorbeeld is van de wijze waarop een negatief stereotype wordt bevestigd aan de hand van selectief en gedateerd materiaal. In de eerste plaats is Bergman een ex-Getuige en zijn boek is gepubliceerd door een organisatie die bekend staat als fel anti-Jehovah's Getuigen. Dissidenten en tegenstanders van het Genootschap zijn, per definitie, nu eenmaal weinig geneigd tot een positieve afschildering van de beweging. Op zich is dat geen bezwaar, ware het niet dat onder hen de neiging bestaat de eigen ervaringen als maatgevend voor alle aanhangers te beschouwen. Zo is de auteur afkomstig uit een extreem fundamentalistisch Getuigenmilieu. Het is van groot belang hier te wijzen op de mate van religieuze orthodoxie die hij, en velen met hem, hebben ervaren.

 

Vanuit mijn eigen onderzoekservaringen onder de Getuigen (nee, ik ben geen Getuige, nooit geweest en zal het nooit worden) komt een gedifferentieerder beeld naar voren. Een aantal Getuigen gaat bijvoorbeeld met grote tegenzin de "velddienst" in, dat is de van huis-tot-huis prediking. Sommigen zijn met geen stok de deur uit te krijgen om het "Goede Nieuws" te verkondigen. Er bestaat weliswaar geen minimumquotum in termen van de hoeveelheid tijd die de Getuigen aan hun heilige plicht dienen te wijden, maar de onderlinge sociale controle staat er borg voor dat de terughoudende categorie er alsnog op uittrekt. De gemiddelde Getuige preekt in Nederland 2 uur per week. Aan de andere kant is er een groep die, zoals Bergman heeft ervaren, 20 uur per week langs de deur gaat. Het zijn de zogenaamde "pioniers", die zich op vrijwillige basis hebben verplicht om 1000 uur per jaar te prediken. In Neder­land zijn dat er ongeveer 1000 op het totale bestand van 30.000 Getuigen.

 

Een ander voorbeeld betreft de wijze waarop men in het dagelijks leven omgaat met de puriteins aandoende leefregels. Toen in een gezin de jonge kinderen zich naar aanleiding van een, uiteraard afkeurend, relaas in de Genootschapslectuur over prostitutie wat meer details over deze institutie wilden weten, aarzelde de vader geen moment en toog met beide zoons naar de Utrechtse Europalaan, om daar het fenomeen in levende lijve te aanschouwen. Het zoontje van de zuster van de man daarentegen wordt uiterst beschermd opgevoed, waarbij de ouders zoveel mogelijk pogingen in het werk stellen om dergelijke confrontaties te voorkomen. Ja, zo beschermd, dat sommige "liberale" Getuigen zich bezorgd afvragen "als dat maar goed gaat met dat jochie".

 

Het tweede probleem met Bergman's studie is zijn verwijzing naar de psychische problematiek van de Getuigen. Tot nu toe is niet onomstotelijk aangetoond dat Getuigen, meer dan niet-Getuigen, gebukt gaan onder psychische stoornissen. Weliswaar baseert de schrijver zijn uitspraak op eigen ervaringen met zijn toenmalige medegelovigen, maar de methodologische onderbouwing - men mag minimaal het gebruik van een controlegroep verwachten - ontbreekt. Een soortgelijk probleem treffen we aan bij de studie van de Australische psychiater Spencer waaruit naar voren komt dat Getuigen ontvankelijker zouden zijn voor psychiatrische stoornissen dan anderen. Dit onderzoek wordt vaak aangehaald door tegenstanders van de Jehovah's Getuigen als bewijs voor de ongezonde invloed die de religieuze doctrines zouden hebben op het geestelijk welbevinden. Dat het artikel nogal wat kritiek heeft ontvangen, wordt daarbij doorgaans niet vermeld. 

 

Dat wil niet zeggen dat Spencer en Bergman geen gevoelig punt van het Genootschap raken. Tot ver in de jaren '60 was de organisatie van mening dat psychische trauma's intern moesten worden opgelost. Men was, overigens conform de visie binnen nagenoeg het gehele christelijk fundamentalisme, van mening dat geestelijke stoornissen het gevolg waren van wereldse verlokkingen of geloofsverzaking. De remedie diende dan ook in het geloofssysteem te worden gevonden. Niet alleen werden psychiatrie en psychotherapie beschouwd als concurrenten op de zielszorgmarkt, maar beider inzichten waren volgens het Genootschap gebaseerd op het verderfelijke Freudiaanse gedachtegoed. Wat moest men wel niet verwachten van genezers die ervan uitgingen dat religie de seksuele driften onderdrukte met het gevolg dat de mensheid gebukt zou gaan onder een collectieve neurose? Trouwens, in de bijbel werd nergens gesproken over RIAGG's en dergelijke. Ook de eerste Christenen, naar wier voorbeeld de Getuigen zich gemodelleerd zien, hoefden hun toevlucht niet te nemen tot de "wijsheid van de wereld".

 

Geleidelijk veranderde dit inzicht. Men bemerkte dat niet alle ouderlingen - de gezagsdragers van een lokale groep Getuigen - voldoende therapeutische inzichten hadden om psychische stoornissen te verhelpen. Want dát er problemen waren, leed geen twijfel. Aan het eind van de jaren '70 hadden enkele Getuigen-psychologen aan de bel getrokken bij het New Yorkse leiderschap. Ze signaleerden een toenemend aantal geestelijke klachten. Veel volgelingen stonden onder zware druk vanwege het feit dat ze zich als voorbeeldige burgers dienden te gedragen: de prijs die betaald moet worden om tot het uitverkoren volk te behoren. Het jaar 1975 had veel aanhangers zwaar op de proef gesteld. Weliswaar was er vanaf 1967 niet met 100% zekerheid voorzegd dat de apocalyps in 1975 de wereld zou treffen, zodat voor de ware gelovigen de toegang tot het paradijs open zou liggen, maar de lectuur, de vele uitspraken op de jaarlijkse zomerse massabijeenkomsten gaven velen weinig reden tot twijfel.

 

Het gonsde, er hing iets in de lucht. Sommigen verkochten haven en goed en banen werden opgegeven. Mede onder de niet aflatende aansporingen van het leiderschap werd de aldus verkregen vrije tijd besteed om de boodschap nóg extensiever uit te dragen. Het was immers de laatste mogelijkheid om aan de ongelovigen het snel naderende onheil bekend te maken. In de periode 1973-'75 werden in Nederland maar liefst meer dan 7700 nieuwe Getuigen gedoopte en ruim 22 miljoen exemplaren van de Wachttoren en Ontwaakt! verspreid. Met de bijna 29.000 aanhangers in 1975 waren tot dan toe ongekende records gehaald. Festinger's fraaie veldexperiment en de daaraan gelieerde theorie van de reductie van de cognitieve dissonantie ten spijt, bleek 1975 min of meer een rampjaar. De aanhang verliet de organisatie in groten getale; de predikingsactiviteit en lectuurverspreiding van de overgeblevenen namen tussen 1976-'79 af met 15%, terwijl er in die periode slechts ruim 2700 via de doop aan de beweging werden toegevoegd.

 

Het heeft de beweging jaren gekost om deze klap weer te boven te komen. Pas in 1987 bereikte het aantal Getuigen weer het 1975-peil. Volgens de Genootschaps-psychologen hadden velen als gevolg van de teleurstelling over het uitblijven van het paradijs ernstige trauma's opgelopen. Via interne rapportages adviseerde men de druk wat van de ketel te halen en de Getuigen de gelegenheid te geven professionele hulpverleners te consulteren.

De kentering werd ook merkbaar in de lectuur. En dat is belangrijk, immers De Wachttoren en Ontwaakt! hebben voor de Getuigen hetzelfde gezag als eertijds het Groene Boekje voor de Maoïsten. Niet langer lag voortdurend de nadruk om ieder vrij uur aan de prediking te besteden. Uiteraard diende de verkondiging als primair kenmerk van de identiteit van alle Getuigen voorop te staan, maar in het onderricht werd hen voorgehouden dat veel mensen in het weekend wel eens wilden uitslapen, zodat een àl te vroeg bezoekje beter vermeden kon worden. En als er aan de deur 'nee' werd gezegd, dan ook niet blijven aanhouden en aan het eind van het gesprek meedelen "ik heb u gewaarschuwd, dan moet u het zelf maar weten", maar beleefd afscheid nemen. Weliswaar was men 24 uur per etmaal Jehovah's Getuige, maar dat betekende niet dat er geen ruimte was om te fotograferen of het kweken van chrysanten. En mochten de volgelingen desondanks toch lijden aan manische depressies, dan was het geen enkel bezwaar om een "wereldse" therapeut te raadplegen.

 

Hebben de gebeurtenissen rond '1975' geleid tot een verandering in de identiteit van het Genootschap annex Getuigen, van groter belang is een nagenoeg onafwendbare historische wetmatigheid, die het gezicht van iedere religieuze beweging aantast: wat begint als een "sekte" evolueert binnen één of twee generaties naar "kerk". Vertaald in de klassieke sociologische omschrijvingen van beide begrippen: wat begonnen is als protest tegen de sociale omgeving, eindigt als acceptatie ervan, aldus de theorie van de Amerikaanse socioloog Niebuhr. Immers, de nakomelingen van de eerste aanhangers zullen de opvattingen van hun voorouders als primitief of achterhaald bestempelen. De tijden veranderen, ze zijn minder gedreven dan hun stamvaders om zich af te zetten tegen het sociale milieu dat de oorspronkelijke voedingsbodem voor de beweging vormde.

 

Het maatschappelijk protest zoals dat in de ideologie van het Genootschap naar voren kwam, deed zich met name in de VS tijdens de periode 1915-1945 gelden: men was tegen gevestigde godsdiensten, de staat en het groot ondernemerschap, kortom, tegen de wereld. En niet zo maar tegen, nee, alle maatschappelijke instituties stonden in dienst van Satan. Met uitzondering van de Getuigen was de gehele samenleving in feite een poel des verderfs waar men zich fel tegen diende te verzetten. Op een vreedzame manier, wel te verstaan. Men diende de geknechte medemens koste wat kost over te halen zich te voegen bij de gelederen van de gelovigen. De huis-aan-huis prediking bleek de doeltreffendste manier. De puriteinse Amerikaanse samenleving bleek evenwel weinig gediend van het elan van deze beweging: men werd plotseling geconfronteerd met een ongenode gast die, nota bene op zondag, vraagtekens zette achter de religieuze overtuiging van de huisbewoner. Een boodschapper die schijnbaar onbetwiste leerstellingen als het bestaan van hemel, hel en drie-eenheid naar het rijk der fabelen verwees. En die, of dat niet genoeg was, elementaire waarden als vlag, volk en vaderland als verderfelijk classificeerde.

 

Weliswaar is er anno 1992 inhoudelijk nog geen jota aan deze standpunten gewijzigd, maar de wijze waarop deze visie in de eerste helft van deze eeuw werd gepresenteerd had als resultaat dat menig Getuige werd afgeranseld of zich met pek en veren zag getooid. Voor de Getuigen betekende dit verzet de bevestiging van hun uitverkiezing. Het was olie op het vuur van de verkondigingsdrift: prediking was geworden tot een heilige oorlog tegen een goddeloze wereld.

 

Geleidelijk is de houding van "anti-wereldsheid" veranderd in "wereld-onverschilligheid". Het sociale profiel van de aanhang is langzamerhand gewijzigd. Het militante proletariaat, dat niet hoopte op het beloofde 1000-jarige rijk van Marx, maar op het religieuze equivalent uit het bijbelboek Openbaringen als oplossing voor haar maatschappelijk onvermogen, is geleidelijk aan vervangen door een naar respectabiliteit strevende conservatieve middenklasse. Op het millennium wordt nog steeds gewacht, maar de mate waarin men er naar uitziet lijkt omgekeerd evenredig met het eigen welzijn. Het absolutistische wereldbeeld staat strikt theologisch nog wel overeind, maar is in de beleving van velen aan inflatie onderhevig.

 

Met name onder oudere Getuigen bespeurt men iets van deze culturele erfenis: buitenstaanders, met name universitaire onderzoekers die via participerende observatie een beeld van deze opmerkelijke geloofsgroepering willen schetsen, worden met argwaan bejegend. Begrijpelijk: de buitenwereld is óf rekruteringsgebied óf tegenstander. Als beide definities niet van toepassing blijken te zijn wordt de zwart-wit ideologie verstoord. Van hen, dat is de groep van 50 jaar en ouder, is 60% via de huis-aan-huis prediking met het geloof in contact gekomen. De jongeren, d.w.z. de leeftijdscategorie tot 50 jaar, zijn toegankelijker. Meer dan 80% van hen is geboren in een Getuigengezin of hebben met het geloof kennis gemaakt via overige familieleden, vrienden en bekenden; het restant is via de huis-aan-huis verkondiging gerekruteerd. Met name onder hen vallen in interne kring en onder gelijkgestemden nog wel eens kritische geluiden te horen over doctrines en voorschriften. Het zijn echter geen dissidenten. Ze zijn de nakomelingen zoals de eerder genoemde Niebuhr die omschreef.

 

Echter, ondanks de tendens tot enige liberalisering, is te veel kritiek op het functioneren van het Genootschap nog steeds uit den boze. De ultieme sanctie is uitstoting. Velen laten het niet zover komen en verlaten de organisatie voortijdig en met stille trom. Af en toe komt een ex-lid in de publiciteit en beschuldigt het Genootschap van machtsmisbruik, hersenspoeling en alle andere fenomenen die kenmerkend zijn voor de wijze waarop veel voormalige trouwe aanhangers terug kijken op hun verleden in een religieuze beweging. De mate van frustratie is doorgaans evenredig met de inzet en toewijding die men vaak jarenlang voor de beweging heeft getoond. De excommunicatie kan dan tot traumatische gevolgen leiden. Niet alleen is er sprake van een geloofscrisis, maar ook van een sociaal isolement. Het oude netwerk van medegelovigen dient de afvallige te vermijden, zo luiden de voorschriften van de organisatie. Men is sociaal dood verklaard.

 

Het zijn deze excessen, die, gevoegd bij de eerder genoemde stereotypen, de sekten in het algemeen en de Getuigen vaak in het bijzonder, maatschappelijk ongeliefd maken. Zó ongeliefd, dat het stereotype de overhand krijgt. Nog vorig jaar werden de kinderen van een Getuige-moeder na haar echtscheiding, ondanks haar uitdrukkelijke wens, niet aan haar toegewezen. De reden? Ze zouden wel eens psychische stoornissen kunnen overhouden, indien ze op latere leeftijd hun geloof de rug zouden toekeren. Niets in het vooronderzoek wees op gedragsproblemen bij beide kinderen van wat voor aard dan ook; ze werden niet tegen hun wil meegenomen tijdens de huis-aan-huis prediking, mochten spelen met "ongelovige" leeftijdsgenoten, enzovoorts. Ook het wetenschappelijk onderzoek geeft aan dat een eenduidig verband tussen "sekteverlating" en het optreden van schadelijke psychische effecten niet of nauwelijks is vast te stellen. Tenzij het krijgen van cadeautjes op dagen dat een kind van Getuigen niet jarig is, schadelijk is voor de psyche. Of het eten van oliebollen midden in juli, zoals een Getuige me vertelde. Het mag dan wel allemaal niet gevierd worden, gecompenseerd wordt het wel. En of dat dan tot stoornissen leidt, dat moeten ontwikkelingspsychologen maar eens nagaan.

 

[1]. Dat wil zeggen, de redactie gaf een samenvatting van de samenvatting die Psychologie Heute had gepubliceerd. Bergman's artikelen zijn oa. hier te vinden: http://www.premier1.net/~raines/mental.html

 

(geactualiseerde versie van het oorspronkelijke artikel in Psychologie, januari 1993)

 

Terug naar inleidende pagina Jehovah's Getuigen

Intro
1914
Bloedtransfusie
Nazisme
Vervolging Nederland
Overzichtsartikel
Wereldbeeld
Statistieken
Uitsluiting
Stigmatisering
Oppositie
Sinterklaas
Totaalweigeraars
English texts