Slangen opnemen als religieus ritueel
| |
'In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen'. Volgens het 16e hoofdstuk uit het Marcus-evangelie zijn dit de tekenen van de ware gelovigen. Die wonen kennelijk in de Appalachen, het verpauperde berggebied in het zuidoosten van de Verenigde Staten, want sinds het begin van deze eeuw interpreteren duizenden bewoners van deze regio deze tekst in de meest letterlijke zin. In tientallen kerken, geconcentreerd in de staten Kentucky, Tennessee en West Virginia, nemen de godvruchtige bezoekers tijdens de diensten ratelslangen op, drinken strychnine of accuzuur en houden hun hand in brandende fakkels. Want 'als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden', aldus Jesaja 43:2. Deze rituele elementen staan centraal in de religieuze beleving van de leden van de Holiness-kerken, theologisch verwant aan de extreme flank van de pinksterbeweging. In een sfeer van uitzinnige extase, aangewakkerd door de opzwepende akkoorden van drums en elektrische gitaren, pakken de bezoekers de giftige slangen op, draperen ze om hun nek of stoppen ze onder hun overhemd. De stoutmoedigen onder hen steken hun hoofd in een kist die propvol zit met ratelslangen. Meestal loopt het goed af, maar af en toe gaat het mis. 'Geloof is geen garantie om niet gebeten te worden. De Heer zei neem de slangen op, hij zei er niet bij dat ze niet zouden bijten', aldus de vermetele kerkgangers. Deze stroming, die omstreeks 1910 is ontstaan, behoort tot de meest omstreden religieuze groeperingen in Amerika. Over het aantal dodelijke slachtoffers bestaat onzekerheid: de cijfers lopen uiteen van 20 tot 75. Als gevolg daarvan zijn de "snake handlers" herhaaldelijk in conflict geweest met de autoriteiten. Weliswaar bestaat er in de meeste staten een officieel verbod op het slangenritueel, maar de circa 2500 aanhangers laten zich weinig aan wereldse verordeningen gelegen liggen.
De historicus David Kimbrough heeft de geschiedenis van deze godsdienstige stroming in kaart gebracht. Omdat hij afkomstig is uit deze regio, slaagde hij erin het vertrouwen van de snake handlers te winnen. Hij bezocht honderden diensten en pakte zelf ook slangen op, hoewel hij voor de zekerheid een middel tegen slangenbeten bij zich droeg. Juist door deze voorzorgsmaatregel onderscheidde hij zich van de anderen, want de ware gelovige vertrouwt op God's medicijn en zoekt niet zijn toevlucht tot de wereldse geneeskunde. Het ligt voor de hand dat de media deze bizarre devotie hoofdzakelijk hebben beschreven in termen van een sensationele kermisattractie. Verklaringen voor dit gedrag zijn echter schaars. Volgens Kimbrough is het opnemen van slangen een symbolische vorm van verzet tegen het binnendringen van een arrogante en vijandige buitenwereld. Hij traceert de eerste tekenen van het ritueel op het moment dat in de Appalachen enorme steenkoolvoorraden werden geëxploiteerd. Voor de overwegend blanke bevolking van dit tot dan toe volstrekt geïsoleerde gebied, luidde het de ontwrichting in van hun samenleving. Die was gebaseerd op een elementair bestaansniveau, waar op basis van wederzijdse hulp alleen voor de eigen behoefte werd geproduceerd en waar begrippen als geld en loondienst nagenoeg onbekend waren. De introductie van het kapitalisme leidde echter tot verkapte slavenarbeid en het uiteenvallen van de traditionele sociale structuur. Daarnaast was het werk in de mijnen gevaarlijk en de arbeidsomstandigheden bedroevend. De slang, volop aanwezig in deze ruige omgeving, vertegenwoordigde al dit kwaad. Het manipuleren van het reptiel, hetgeen voor de bewoners gemakkelijk inpasbaar was in hun extatische pinkstergeloof, was een vorm van symbolische vergelding. Wie de slang optilde trotseerde de dagelijkse ellende en had even het gevoel het lot, in de meest letterlijke zin, in eigen handen te hebben. Zo weerspiegelde zich in de rituelen een collectief protest tegen culturele afbraak en de dagelijkse strijd om het bestaan. Volgens Kimbrough's naspeuringen zijn er sinds het ontstaan van de cultus 75 doden gevallen (Het aantal mensen dat gebeten is, is onnoemelijk veel groter: de echte snake handler is op zijn minst een vinger kwijt). De auteur geeft geen antwoord op de vraag waar deze betrekkelijk geringe fatale afloop aan kan worden toegeschreven. Hij ontkent dat de slangen worden ontdaan van hun gifklieren of dat hun gevaarlijke beten op andere wijzen worden 'geneutraliseerd'. Ook het door sceptici aangedragen argument dat de dieren uit hun gewone doen zijn als gevolg van de keiharde ritmische muziek, is weerlegd; slangen zijn namelijk doof. Mogelijk dat de verklaring gezocht moet worden in de extatische toestand, waarin de snake handlers verkeren. Uit eerdere observaties van deze gelovigen bleek dat onder degenen die gedurende 10 à 15 seconden hun handen in brandende fakkels hielden, pijnreacties en het optreden van blaarvorming uitbleven. Experimenteel onderzoek geeft aan dat hypnose niet alleen een verdovende werking heeft, maar ook van invloed is op fysiologische reacties van het lichaam. Kortom, wie in hogere sferen verkeert, krijgt minder snel blaren. Trekt men de hypothese door, dan is het niet ondenkbeeldig dat de geestestoestand van de individu ook in het geval van een slangenbeet in staat is een buffer te vormen tegen schadelijke stoffen die het lichaam trachten te ondermijnen. Of, in de woorden van die doorgewinterde slangentiller: ‘slangen pak ik alleen maar beet als ik de Heilige Geest op me voel, maar kom ik er buiten een tegen dan loop ik er in een wijde boog omheen'. David Kimbrough Taking Up Serpents. Snake Handlers of Eastern Kentucky. University of North Carolina Press, isbn 0-8078-4533-7 (Trouw, 8 september 1996) | |