Naïef en arrogant over Jehovah’s Getuigen
| |
'Een fanatieke, elitaire, antiwetenschappelijke sekte die uit is op wereldheerschappij en meer geestelijk gestoorden telt dan andere bevolkingsgroepen'. Zo luidde het niet mis te verstane signalement in dagblad Trouw van het in 1995 verschenen boek Jehovah's Getuigen - Naar het einde van de wereldchaos? van de Belg Herman Somers. Van een auteur, die, volgens de flaptekst in het bezit is van maar liefst drie doctoraten - filosofie, theologie en psychologie - mag men dan op zijn minst een gedegen fundament en grondige analyse verwachten voor deze boude constatering. Helaas, het boek is het zoveelste voorbeeld van antisekte lectuur, een modieus genre dat zich afzet tegen religieuze bewegingen en daarbij veelal gebruik maakt van ondeugdelijk wetenschappelijk onderzoek. Het verschijnsel sekte intrigeert. Waarom treden mensen toe tot autoritair geleide groepen, waarom geven ze al hun geld en bezittingen aan een goeroe, waarom staan ze zo kritiekloos tegenover omstreden leerstellingen, waarom verbreken ze de banden met hun familie en vrienden, kortom, waarom vertonen ze zo'n irrationeel gedrag? Ook Somers wil antwoord op deze vragen, ja, hij wil ze zelfs zo objectief mogelijk benaderen en beantwoorden, aldus zijn voorwoord. Maar twee pagina's later gaat het al mis. Hij wil een 'normaal en verstandig' gesprek met een paar Jehovah's Getuigen die bij hem aan de deur komen. Want Somers is namelijk ook theoloog en hij wil die Getuigen graag laten weten wat 'echte' bijbelwetenschap is. Wat iedereen, behalve Somers, op zijn klompen aanvoelt, gebeurt: dat gesprek lukt niet. “Tegen zo een koppige stellingname kon ik zelfs als psycholoog niet op”, aldus de gefrustreerde schrijver. In deze opmerkelijke melange van arrogantie en naïviteit gaat Somers volledig voorbij aan een elementair kenmerk van de identiteit van de Jehovah's Getuigen, namelijk de verkondiging van een religieuze boodschap. Een belangrijk doel daarvan is het overtuigen van de toehoorder, waarbij de ideologische opvattingen van het Wachttorengenootschap fungeren als referentiekader. Daarin is geen ruimte voor een dialoog tussen gelijken. Want in de optiek van de verkondiger is hij zélf de bijbelexpert, de bezitter van unieke kennis, terwijl de toehoorder slechts leek is.
Het probleem is dat Somers zich óók deskundige acht. Hij wijdt namelijk een apart hoofdstuk gewijd aan die leerstellingen van het Wachttorengenootschap, die volgens de gangbare theologische opvattingen fout zijn. Ze zijn niet alleen fout, maar ook niet wetenschappelijk gefundeerd en ook niet wetenschappelijk te verdedigen, aldus de schrijver. Maar dat komt, zo vervolgt hij, omdat de leiders niet wetenschappelijk onderlegd waren. Tja ... Dat is niet het enige dat hij de Getuigen wil meedelen, zijn zendingsdrang bevat ook een pastorale dimensie. Hij heeft zijn boek geschreven vanuit een diep gevoel van medelijden. Volgens zijn opvatting zijn de Getuigen slachtoffers, ze zijn geprogrammeerd, gemanipuleerd, vertonen een 'gebrek aan persoonlijkheid', kortom het totale antisekte jargon is op hen van toepassing. Een dergelijke uitgangspositie belooft weinig goeds voor de rest van het boek. De eerste leiders, Russell en Rutherford worden zonder enige onderbouwing dan ook als 'psychopaat' respectievelijk 'paranoïde' omschreven en deze termen vormen de opmaat voor het hoofdstuk 'geestelijke gezondheid'. Ik beperk me verder tot dit hoofdstuk, omdat het exemplarisch is voor de rest. De schrijver maakt gebruik van aantoonbaar ondeugdelijke bronnen en, wat ernstiger is, sommige citeert hij volstrekt incorrect. Als we Somers moeten geloven zijn de Getuigen er qua psychische gesteldheid slecht aan toe, dat wil zeggen, slechter dan niet-Getuigen. Binnen het Wachttorengenootschap waren er aan het einde van de jaren '70 enige verontruste geluiden te horen over de mentale conditie van een gedeelte van de aanhang. Waarschijnlijk was dit een belangrijke aanleiding om de traditionele aversie tegen de concurrerende wereldse geestelijke hulpverlening op te doeken. Tot ver in de jaren '60 werden psycholoog en psychiater in de lectuur van het Wachttorengenootschap bijkans afgeschilderd als vertegenwoordigers van de antichrist. Wie problemen had stapte naar de ouderlingen, die, conform het fundamentalistische gedachtegoed, voldoende geëquipeerd waren de stoornis in bijbelse termen te vertalen. Tegenwoordig is iedere Getuige vrij om wie dan ook te raadplegen. Op de vraag of ze meer psychische problemen hebben dan anderen, is echter geen antwoord te geven. De huidige vakliteratuur biedt daar geen uitsluitsel over. De belangrijkste vraag daarbij is of de godsdienstige overtuiging de stoornis bepaalt of dat deze al aanwezig was voordat de persoon toetrad tot de Getuigen. Dat laatste realiseert Somers zich wel, immers de Getuigen rekruteren hoofdzakelijk uit de lagere regionen van de samenleving - voor zover daar nog iets te halen valt want het overgrote gedeelte van de aanwas wordt gevormd door kinderen van Getuigen. Er zijn aanwijzingen dat, als gevolg van de moeilijkere leefomstandigheden, psychische stoornissen daar frequenter voorkomen dan in de overige milieus. De daaruit voortvloeiende vraag is hoe de eventuele stoornis zich na toetreding ontwikkelt: voor hetzelfde geld functioneert de religieuze groep voor de individu als een therapeutische gemeenschap. Maar aan dergelijke overwegingen gaat Somers voorbij. Voor hem is de gemeenschap van de Getuigen een open inrichting. Bij de paar vakpublicaties die hij citeert en die zijn stelling zouden moeten ondersteunen, verzuimt hij te wijzen op de niet mis malse kritieken die daarop gevolgd zijn. Hij haalt onderzoek aan uit het einde van de jaren '40, waarin dienstweigeraars - dus ook Getuigen - psychiatrisch werden onderzocht en, gelet op het tijdsbestek, uiteraard als gestoord werden geclassificeerd. Heel suggestief wijst hij op een publicatie waarin het uiterst zeldzame fenomeen van autocastratie bij religieuze wanen is beschreven; in de oorspronkelijke tekst komt echter geen enkele Jehovah's Getuige voor. Hij noemt een studie, waaruit zou blijken dat onder Getuigen meer gevallen van hysterie en persoonlijkheidsstoornissen zouden voorkomen. Het betreffende artikel vermeldt slechts dat er in een groep van 61 sekteleden (bestaande uit aanhangers van Christian Science, Jehovah's Getuigen, mormonen en zevendedagsadventisten) verhoudingsgewijs meer psychoses voorkwamen dan onder volgelingen van ander kerkgenootschappen. Deze auteurs vermelden zelf, dat de steekproef te klein was om verantwoorde uitspraken te doen over het voorkomen van specifieke stoornissen per groep. (Hetzelfde onderzoek geeft overigens wél aan dat hysterie aanzienlijk meer voorkomt onder rooms-katholieken). Somers weet wel raad met de Jehovah's Getuigen: ze moeten verboden worden. Groeperingen waar je schizofreen van wordt, die je aanzetten tot zelfdoding - in die termen beschrijft hij het bloedtransfusieverbod van de Getuigen - en die de revolutie prediken (het staat er echt!) staan buiten de maatschappelijke orde. Wellicht spruit dit alles voort uit zijn onvermogen om grip te krijgen op het Wachttorengenootschap en aanhangers. In combinatie met een intolerant en hooghartig quasi-intellectualisme en een gebruik van somtijds zeer inferieure bronnen doet de schrijver een beroep op de lagere instincten van de lezer. Wie dit aanspreekt zal zich voor de zoveelste gesterkt voelen in zijn reeds geboetseerde mening. Herman H. Somers Jehovah's Getuigen. Naar het einde van de wereldchaos? Hadewijch, Baarn. f 39,90. (Trouw, 27 juli 1995) | |