Het raadsel van het charisma


 

 

Sekten behoren tot het domein van lastige sociale verschijnselen. Dat komt vooral omdat het daar zo irrationeel toegaat. De geloofsopvattingen mogen dan al bizar zijn, wat de sekte vooral onbegrepen maakt is de relatie tussen leider en volgelingen. Niet alleen het absolute gezag van de top en de slaafse onderworpenheid van de aanhang maken zo'n beweging, temidden van de westerse democratische cultuur, tot een maatschappelijk Fremdkörper. Vooral het fundament, waaraan de leider zijn heerschappij ontleent, druist in tegen de verworvenheden van de Verlichting. Hij - meestal zijn het mannen - beroept zich immers niet op bestaande machtsstructuren, hij is ook niet gekozen via democratische besluitvorming en er is geen elite die hem door coöptatie aan zijn positie heeft geholpen. Hij is namelijk aangesteld door de bovennatuur en ontleent zijn autoriteit derhalve aan goddelijke voorspraak. Tenminste, dat beweert hij. En zijn volgelingen geloven hem en ín hem. Hij is immers hun goeroe, hun leermeester.

In zijn boek Feet of Clay probeert de Engelse psychiater Anthony Storr de mystiek van het charismatisch leiderschap te ontrafelen. Er is namelijk reden genoeg om daar aandacht te besteden. De gifaanval in de metro van Tokio, de moorden in de Zwitserse chalets en de vlammenzee van Waco: het zijn drie recente voorbeelden van excessen waar deze vorm van gezagsuitoefening uiteindelijk toe kan leiden. Maar ook minder dramatische consequenties, zoals de 93 Rolls-Royces van Bhagwan Sri Rajneesh of de semi-pornografische theologie van David Berg, de stichter van de voormalige Children of God, geven voldoende aanleiding om de psyche van goeroes onder de loep te nemen. Storr legt dan ook de nadruk op dat laatste, omdat hij van mening is dat het gedrag van deze spirituele gidsen voor een belangrijk gedeelte besloten ligt in hun levensgeschiedenis.

Aldus portretteert de schrijver bekende religieuze leiders als Jim Jones, David Koresh, Bhagwan, Rudolf Steiner, Jezus en Ignatius van Loyola. Omdat goeroes ook buiten het godsdienstige domein voorkomen, komen ook Gurdjieff, Jung en Freud aan de orde. Wat hen allen bindt, zo blijkt uit de biografische reconstructies, is een eenzame of traumatische jeugd, een natuurlijk overwicht en een fabelachtig vermogen anderen van hun vernieuwende inzichten te overtuigen. Sommigen hebben volgens Storr tijdens hun levensloop te kampen gehad met zulke ernstige geestelijke problemen, dat hij het waarschijnlijk acht dat men kan spreken van psychiatrische stoornissen. Deze uitleg kan deels een verklaring bieden voor hun curieuze denkbeelden en omstreden praktijken, want het gedrag van sommige schizofrenen vertoont immers opmerkelijk veel overeenkomsten met dat van zonderlinge visionairs en verlichte leermeesters. Psychoticus en gelovige zijn immers nooit voor rede vatbaar - maar dat geldt ook voor de liefde, zo voegt de schrijver er geruststellend aan toe.

Tegelijkertijd trapt Storr op de rem door ervoor te waarschuwen excentrieke geloofsopvattingen niet direct te associëren met geestelijk gestoord gedrag. Rudolf Steiner en Jezus mochten dan innoverende denkbeelden hebben, hun mentale gesteldheid is volgens de auteur van een andere orde dan de pathologische handelwijzen van Jim Jones of David Koresh. Vanuit het adagium dat alles betrekkelijk is, is de conclusie dan ook dat een afwijkend geloofssysteem met slechts een handjevol aanhangers waarschijnlijk als een complex van waandenkbeelden wordt beschouwd; zodra er echter een paar miljoen volgelingen zijn, dan spreken we over een godsdienst. Betrekken we dit op het niveau van de goeroe, dan weerspiegelt Storr's uitspraak het plastische voorbeeld dat de Engelse godsdienstsocioloog Bryan Wilson ooit gaf over de essentie van het charismatisch leiderschap. 'Als iemand naakt over straat rent, terwijl hij roept dat God hem heeft meegedeeld dat alleen hij de mensheid kan redden van de dreigende ondergang, en hij onmiddellijk een aantal volgelingen krijgt, dan is hij een charismatisch leider. Als hij geen aanhang krijgt, dan volgt waarschijnlijk opname in een psychiatrische inrichting'.

Sun Myung Moon

Sun Myung Moon, leider van de Verenigingskerk, en echtgenote

Toch geeft dit uitdiepen van de psychische krochten van de goeroe nauwelijks meer inzicht in het hele scala van buitenissige sekte-capriolen. Bij gebrek aan andere verklaringen ligt het voor de hand om de leiders van de Branch Davidians in Waco en de People's Temple in Guyana als paranoïde en anderszins gestoord af te schilderen, want ze hebben hun aanhang tot zelfdoding gedreven. Ook Storr constateert deze geestelijke afwijkingen, waarbij hij zich vrijwel uitsluitend baseert op notoir onbetrouwbare lectuur van wraaklustige ex-sekteleden. De vraag lijkt gewettigd of de betrouw­baarheid van deze diagnostische methode in de beroepsgroep van de schrijver niet op zijn minst enkele gefronste wenkbrauwen zou opleveren. Uit onderzoek blijkt namelijk dat er nog wel eens wat hapert aan de integriteit van voormalige volgelingen. Ook refereert de auteur niet aan de ettelijke studies, die kanttekeningen plaatsen bij het speculatieve karakter van de aan Jones, Koresh en andere sekteleiders toegeschreven mentale stoornissen. Zijn gebruik van eenzijdige bronnen komt eveneens naar voren in de kritiekloze aanvaarding van de overbekende gruwel- en sensatieverhalen. Verscheidene neutrale bronnen zetten bijvoorbeeld nogal wat vraagtekens achter de vermeende kindermishandeling van Koresh of de seksuele vrijpostigheden die Rajneesh zich zou hebben veroorloofd. Ook de in wetenschappelijke kringen uitgesproken twijfel of de tragedie in Waco daadwerkelijk het gevolg was van collectieve zelfdoding of onopzet­telijke brandstichting van de belegeraars, laat Storr buiten beschouwing.

Een tweede probleem is dat de auteur het charismatisch leiderschap analyseert in een sociaal vacuüm. Beperken we ons opnieuw tot de omstreden goeroes, dan is het vanzelfsprekend dat het gedrag van de leider voor een belangrijk gedeelte bepalend is voor hetgeen zich in de sekte voordoet. Storr ziet echter over het hoofd dat de reacties van de omringende buitenwereld evenveel, zo niet meer, effect hebben op het wel en wee van de beweging. Reconstructies van de gebeurtenissen in Waco tonen aan, dat de Amerikaanse autoriteiten met hun aanval op de Branch Davidians en de daarop volgende belegering verdere radicalisering van de beweging in de hand werkten. Ook de publieke opinie stelde zich op het standpunt dat dit maatschappelijke kankergezwel moest worden uitgeroeid, hetgeen ertoe leidde dat de onheilsprofetie van Koresh zich zo ongeveer voor de ogen van zijn volgelingen ontvouwde. Het laat zich raden wat dat betekende voor het charisma van Koresh.

Daarmee kom ik tot een derde punt van kritiek, namelijk Storr's gebruik van het begrip charisma. Hij neigt ertoe de term te hanteren volgens de alledaagse betekenis, dus als een karaktereigenschap van mensen die iets te melden hebben en dat ook uitstralen. Maar de wereld is bezaaid met dit soort boodschappers die, al dan niet getraumatiseerd in hun vroege jeugd, van mening zijn dat hen van Hogerhand of via andere moeilijk te verifiëren bronnen, baanbrekende informatie is ingefluisterd waar de mensheid kennis van moet nemen. Ook het boek geeft geen antwoord op de cruciale vraag waarom die ene wél dat broodnodige charisma heeft en al die anderen niet. De op de omslag van het boek vermelde tekst dat nu voor het eerst de geheimen van het charismatisch leiderschap zijn onthuld, is dan ook op zijn minst aanmatigend.

In de klassieke sociologische betekenis van Max Weber heeft charisma echter niet zozeer betrekking op een louter individuele eigenschap, maar op een speciaal soort sociale relatie tussen leermeester en leerlingen die gebaseerd is op een succesvolle machtsaanspraak van de goeroe. Ook dit subtiele verschil maakt niet duidelijk wat er precies voor de erkenning van dat gezag nodig is. Maar door het analytisch onderscheid verschuift het accent van statisch persoonlijkheidskenmerk naar onstabiele machtsverhouding, waardoor allerlei ontwikkelingen binnen religieuze bewegingen verklaard kunnen worden. Het labiele en hachelijke karakter van charismatisch leiderschap is inherent aan de wankele machtsbasis van de goeroe, omdat zijn autoriteit alleen maar berust op subjectieve factoren. Grillig en onberekenbaar gedrag is dan ook aan de orde van de dag. Het is dus maar de vraag of in een dergelijke sfeer de gekte van de goeroe geworteld zit in de hersenen of te herleiden is naar situationele factoren van de charismatische omgeving. Niet alleen dat stelt de leider voor een probleem, er is ook de constante tendens naar institutionalisering. De geschiedenis laat zien dat charismatisch leiderschap op een gegeven moment wijkt voor een rationele vorm van gezagsuitoefening.

Wie terugblijkt op de ontwikkeling van nagenoeg iedere 'geslaagde' sekte, zoals bijvoorbeeld de zevendedagsadventisten, Hare Krishna's of Transcedente Meditatie, zal bemerken dat de wispelturige alleenheerschappij van de goeroe het op een gegeven moment moet afleggen tegen een stabiel bureaucratisch bewind. Mede als gevolg daarvan raakt het omstreden karakter van dit soort bewegingen op de achtergrond. De meeste charismatisch leiders leggen zich, al dan niet mokkend, bij deze historische wetmatigheid neer, maar sommigen proberen deze aantasting van hun macht te voorkomen. Een mooi voorbeeld is het zwijgen van Rajneesh in 1981. Hij stopte met het toespreken van zijn sanyassins en zat iedere dag, zonder iets te zeggen, een uur in zijn stoel. Een middel bij uitstek om charisma (en alle andere vormen van autoriteit) te vergroten is afstand te nemen van de aanhang. Een goeroe die zich teveel vereenzelvigt met zijn volgelingen, verliest al gauw zijn aura en vervolgens zijn gezag. Volgens Storr's interpretatie leed Bhagwan mogelijk aan een depressie en had hij te kampen met andere lichamelijke ongemakken. Deze oorzaak is natuurlijk niet uit te sluiten, maar voor een analyse van goeroes en hun gedrag is het van belang de volledige reikwijdte en de gevolgen van het charismatisch leiderschap te overzien.

Met dit boek heeft Storr enkele boeiende psychologische facetten van een merkwaardig mensensoort belicht. Maar deze persoonsgerichte aanpak versluiert dat goeroes in hun rol tevens voortdurend worden gemodelleerd door hun aanhangers en de altijd sceptische buitenwereld. Het is die wisselwerking die bepaalt of charisma explodeert in geweld of zich transformeert in respectabiliteit.

Anthony Storr, Feet of Clay. A Study of Gurus, HarperCollins, ISBN 0-00-255563-8

(Trouw, 19 oktober 1996)

Terug naar inleidende pagina

Intro
Heavens Gate
Hersenspoeling
Mormonen
Religie en Rechts
Scientology
Charisma
Branch Davidians
Snake Handlers
The Family
Oppositie
Duitsland
België
Bhagwan
Amish