weblogo.jpg
weblogo2.jpg
line.jpg
wpbb882dfd.png

Home

1914

Leger

Afvalligheid

Bloedtransfusie

Overzichtsartikel

Sinterklaas

Statistieken

Stigmatisering

Vervolging

Contact

 

 

flag_uk.jpg
weblogo_JG-1.jpg

Titus 3

 

 

Vijf jaar geleden heeft Marcel afscheid genomen van de Jehovah’s Getuigen. Tenminste, dat vindt hij zelf. Maar de overkoepelende organisatie wist tot voor kort officieel van niets. Daar staat hij waarschijnlijk te boek als ‘inactief’, een slapend lid. Marcel is vertrokken zonder daar ruchtbaarheid aan te geven. Had hij dat wel gedaan, dan zou hij door zijn gemeente worden uitgesloten. Het laatste woord is namelijk aan het Wachttorengenootschap. Zo is nu eenmaal de doctrine. Het zou tot gevolg hebben dat de contacten met zijn ouders, ook Jehovah’s Getuigen - evenals trouwens zijn grootmoeder – tot een minimum zouden worden beperkt of wellicht radicaal verbroken. En of zich echt een harmonische relatie zou ontwikkelen tussen zijn twee jonge kinderen en hun oma en opa was ook maar zeer de vraag. Weliswaar was de verstandhouding al danig verstoord vanwege zijn officieuze vertrek, het risico van een volledige breuk wilde Marcel vermijden. Daarom stapte hij op zonder zijn gemeente in te lichten. Zijn vrouw, eveneens opgegroeid in een Jehovah’s Getuigen gezin, nam tegelijkertijd afscheid.  

 

Het was niet alleen deze leerstelling over de uitsluiting waarmee hij problemen had. Zo langzamerhand was hij afgeknapt op vrijwel het hele theologische bouwwerk van het Wachttorengenootschap. De leer van de eindtijd, het verbod op bloedtransfusie, het taboe op de kerstviering, de grillige besluitvorming van het onaantastbare New Yorkse leiderschap: voor hem hadden ze afgedaan. Had hij dat kenbaar gemaakt binnen zijn gemeente, dan was hij binnen de kortst mogelijke tijd geëxcommuniceerd. En dat terwijl Marcel bij lange na geen modale Jehovah’s Getuige was. Jarenlang pionierde hij, dat wil zeggen dat hij naast zijn universitaire studie minstens 90 uur per maand besteedde aan de van huis-tot-huis verkondiging. Naar eigen zeggen was hij fanatiek. Hij ging er voor, zoals dat heet. Hij gaf zich niet snel gewonnen als het aan de deur tot een theologische gedachtewisseling kwam, hoewel hij niet bleef doordrammen als de huisbewoner liet blijken weinig belangstelling voor de reddingsboodschap te tonen. Zijn ambities reikten verder dan louter getuigenis geven: de kringdienst, zeg maar een regionaal inspecteur van de Jehovah’s Getuigen gemeenten, en wie weet, misschien was er uitzicht op een positie in het landelijk bestuur in Emmen of zelfs het internationale hoofdkwartier in Brooklyn. Ook zijn medegelovigen waren ervan overtuigd dat Marcel het ver zou schoppen in de organisatie. Een ‘zuster’ had hem zelfs voorgehouden dat na de beslissende slag van Armageddon de linkerhelft van het paradijs zou worden toebedeeld aan de populaire broeder X en de rechterhelft aan hem … 

 

Dat alles kan Marcel wel vergeten. Afgezien van het feit dat hij niets meer met het Wachttorengenootschap te maken wil hebben, dreigt hij alsnog te worden uitgesloten. Met alle gevolgen van dien. Er is een onderzoek gaande naar zijn geestelijke gesteldheid, dat wil zeggen, in hoeverre onderschrijft hij nog de leer. Een overigens normale gang van zaken binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen: voor wie klip en klaar aangeeft dat hij of zij zich niet langer kan vinden in de ‘Waarheid’, is daar het gat van de deur. Dat zijn de spelregels. Of zoals een hoge functionaris dat ooit verwoordde: ‘Als je lid wordt van een klaverjasclub, dan heb je je te houden aan de regels van het kaartspel. Zo niet, dan moet je geen lid worden’.

wp595205ac_0f.jpg

Maar in het geval van Marcel zijn de spelregels niet zorgvuldig gevolgd. Dat zat zo: een paar maanden geleden kwam hij in contact met Olaf, vriend en medepionier uit zijn Jehovah’s Getuige periode. Die bekleedde inmiddels een functie waarvoor Marcel ooit was gepokt en gemazeld. Olaf wilde eens weten hoe stevig Marcel in het geloof stond. Niets officieels, gewoon een gesprek tussen twee vrienden. Maar vriend of niet, en met de wetenschap hoe het zit met Olaf’s loyaliteit aan de organisatie, liet Marcel tijdens een eerste bezoek niet het achterste van zijn tong zien. Wel uitte hij voorzichtig enige twijfels, vooral over de status van het Wachttorengenootschap als God’s enige kanaal van bijbelse waarheden. Dat zorgde uiteraard voor enige onrust bij Olaf, waarna hij per e-mail een nieuwe ontmoeting voorstelde. Als gespreksonderwerp noemde hij onder andere de bijbeltekst Matthéüs 24, 45-47, een fragment waaruit de doctrine is afgeleid dat het Wachttorengenootschap onmisbaar is om God te dienen. Laten we daar eens over ‘bakkeleien’, aldus Olaf in de e-mail. Dat klonk betrekkelijk onschuldig, en mede om die reden nodigde Marcel mij uit om deze discussie bij te wonen. Een unieke gebeurtenis, want doorgaans zijn buitenstaanders niet welkom bij leerstellig gekissebis tussen twee Jehovah’s Getuigen, zij het dat in dit geval de een de rol speelt van een twijfelaar die in werkelijkheid de knoop al heeft doorgehakt.

 

De aanwezigheid van de buitenstaander, waarvan Olaf vooraf niet op de hoogte was gesteld, wekte bij hem enige lichte wrevel. Dat was niet de gewoonte. Dat Olaf onaangekondigd werd vergezeld van een medeouderling, was kennelijk een normale gang van zaken. Na een inleidende discussie over de identiteit en het bijzijn van de gast, veranderde het beloofde ‘gebakkelei’ van toonzetting. Het gesprek kreeg een onverwachte wending toen Olaf de term ‘Titus 3’ liet vallen, waarop Marcel in verbijstering uitriep ‘wat krijgen we nou!’ Op mijn hulpeloze blik en argeloze vraag ‘waar gaat het over?’ werd in koor geroepen: sektevorming. . “Een mens, die scheuring maakt, moet gij, na hem een en andermaal terechtgewezen te hebben, afwijzen’, aldus het bijbelboek. Marcel zou hebben aangezet tot afvalligheid. De belangrijkste boosdoener bleek zijn website. Die bestond hoofdzakelijk uit een overzicht van literatuur over Jehovah’s Getuigen, een gortdroge bibliografie met enige annotaties. Boeken en artikelen geschreven door voor- en tegenstanders en objectieve waarnemers. Marcel moet niets hebben van de vlammende en vaak ongenuanceerde betogen tegen de Jehovah’s Getuigen en hun organisatie zoals die worden getoond op menig website en pamflet. Zo heeft hij nog maar pas geleden in een recensie voor een wetenschappelijk tijdschrift een anti-Jehovah’s Getuigen boek de grond in geboord.  

 

Maar er was meer dan dit virtuele probleem. Marcel’s dossier was gelicht en er was gepraat met Jehovah’s Getuigen uit zijn directe omgeving zoals zijn vader. Er was een brief gevonden die hij schreef aan een bevriende geloofsgenoot nadat hij zijn functie als dienaar in de gemeente, zeg maar een opstapje naar het ouderlingschap, had neergelegd. Niet dat de inhoud van de brief als ronduit afvallig kon worden bestempeld, maar de verantwoordelijke ouderlingen hadden op dat moment moeten inzien dat Marcel mogelijk een weg van andersdenkendheid was ingeslagen. Ze hadden nagelaten om in te grijpen, aldus Olaf in een gesprek dat ik later met hem voerde. Verder zou Marcel zich arrogant hebben gedragen want hij zou het beter weten dan zijn medegelovigen. Tenslotte was er een hardnekkig gerucht dat er eind december een kerstboom in de huiskamer had staan pronken. Dat klopte inderdaad, alleen het door de organisatie vereiste bewijs van twee getuigen van dit vergrijp ontbrak. Alleen al die boom zou voldoende aanleiding zijn geweest Marcel een officiële waarschuwing te geven en eventueel een uitsluitingsprocedure in gang te zetten. 

wp373eb253_0f.jpg

Als Marcel zijn site zou verwijderen dan is de druk van de ketel. Daar kwam de boodschap op neer. Daarin stemde hij toe. Niet omdat hij het gevaar voorzag van een mogelijke uitsluiting, zoals hij mij achteraf vertelde, maar omdat hij dat sowieso van plan was want het bijhouden kostte teveel tijd. Door deze toezegging ontspande de sfeer enigszins, waarna Marcel zijn probleem met het vaak zo absolute karakter van de geloofsleer illustreerde aan de hand van enkele casuïstieken die betrekking hadden op het inmiddels verlaten standpunt rond orgaantransplantaties. Meer in het algemeen duidde Marcel op de bijna Talmoedische regelgeving rond het bloedtransfusieverbod. Die kenmerkt zich vooral door voortdurende wijzigingen van wat wel en niet is toegestaan rond deze medische behandeling. Olaf en zijn metgezel, beiden doorkneed in het aangaan van discussies over dit heikele onderwerp hadden geen antwoorden. Aan het einde van het gesprek maakte Olaf duidelijk dat hij zou controleren of Marcel’s website uit de lucht was. Dat zou in ieder geval een stap in de goede richting zijn.

 

Na het vertrek van Olaf en zijn metgezel uitte Marcel zijn verontwaardiging over de verborgen agenda van zijn bezoekers. Weliswaar had Olaf tijdens het gesprek duidelijk gemaakt dat hij pas enkele dagen voor de afspraak de ‘afvallige’ website had ontdekt en daarom niet in de gelegenheid was het doel van zijn bezoek te herzien, maar Marcel twijfelt aan die lezing. Temeer omdat er in zijn verleden is gesnuffeld. Hij beschouwde het bezoek als een geplande overval, het typische ‘shock and awe’ protocol van het Wachttorengenootschap, zoals een bevriende ex-Getuige van Marcel het later omschrijft.  

 

Een paar weken later spreek ik Olaf. Hij geeft toe dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld. “We hadden Marcel duidelijk moeten maken dat we hem zouden komen waarschuwen voor zijn gedrag”. Maar wat hem vermoedelijk meer zorgen baart was de aanwezigheid van de waarnemer. Het was zijn tweede fout. “We hadden acuut het gesprek moeten stoppen en duidelijk maken dat we andere keer zouden terugkomen. En dan zonder jou erbij”. Exact dezelfde reactie geeft een lid van het Nederlandse hoofdbestuur in Emmen, daaraan toevoegend dat Olaf zijn excuses moet aanbieden voor deze gang van zaken. Een andere ouderling die ik het geval voorleg (zonder daarbij namen te noemen) reageert spontaan: “Wat een geweldige stommiteit. Juist omdat jij erbij was”.  

 

Marcel interesseert het niet meer, zo maakt hij een paar dagen later duidelijk. “Laat ze me maar uitsluiten”. De relatie met zijn ouders is sinds zijn inactiviteit toch al naar een dieptepunt gezakt dus veel slechter kan het niet worden. De excuses van Olaf zijn tot nu toe uitgebleven.(*)

 

21 augustus 2003

 

(*) Een correctie is op z'n plaats. Enkele dagen na publicatie van deze pagina heeft Olaf alsnog zijn verontschuldigingen over dit 'schoonheidsfoutje' aangeboden.