


|
Stigmatisering?
Samenvatting In een echtscheidingszaak tussen een Jehovah's Getuige-moeder en een niet-Getuige-vader is bepaald dat de man de kinderen krijgt toegewezen. De zorgvuldigheid en objectiviteit in het vooronderzoek dat aan deze beslissing ten grondslag ligt, roepen echter vragen op. Men kan zich niet geheel aan de indruk onttrekken dat stigmatisering van een religieuze minderheid een belangrijke rol heeft gespeeld in het onderzoek en het uiteindelijke vonnis.
Casus Mag godsdienst een rol spelen in het toewijzen van kinderen in een echtscheidingsprocedure? Zo lang het hun welzijn niet schaadt, luidt de algemeen geaccepteerde opvatting. Maar wat is schadelijk en hoe wordt dat eventuele schadelijke effect van religie op opvoeding onderzocht?
In 1991 werd mij verzocht te adviseren over een echtscheidingszaak. Mevrouw A is na het huwelijk toegetreden tot de gelederen van de Jehovah's Getuigen, haar echtgenoot moet daar niets van weten. De godsdienstige overtuiging van zijn echtgenote is reden waarom hij wil scheiden. Er zijn twee kinderen, 10 en 8 jaar oud, en het probleem spitst zich toe op de vraag aan wie ze moeten worden toegewezen. De Raad voor de Kinderbescherming en een pedagogische instelling functioneren als adviserende organen. Volgens hen dienen de kinderen te worden toevertrouwd aan de man. De arrondissementsrechtbank neemt het advies over. Niet het geloof an sich is een belangrijke reden de kinderen niet aan mevrouw A toe te wijzen, maar de eventuele gevolgen daarvan op lange termijn, zo luidt de argumentatie. De wijze waarop het advies van de deskundigen en, als rechtstreeks gevolg daarvan, de uitspraak van de rechtbank, tot stand is gekomen, lijkt echter meer gebaseerd op stigmatisering van een religieuze minderheid dan op degelijk onderzoek. Een reconstructie van de wijze van besluitvorming is daarom op zijn plaats.
In eerste instantie vertrouwt de rechtbank, in afwachting van een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, de kinderen voorlopig aan de moeder toe. Enkele maanden later verschijnt het rapport van een maatschappelijk werkster. Het eerste advies luidt de kinderen aan de vader toe te vertrouwen. Een fragment uit de motivatie:
[#1] "Voor wat betreft de opvoeding van moeder is er in mindere mate sprake van kontinuïteit omdat de kinderen tot '89 een "gewone" opvoeding kregen en zij zich nu moeten schikken naar de regels van het Jehovah geloof. Zij maakt de indruk weinig zekerheid in zichzelf te vinden. De aansluiting bij de Jehovah's Getuigen heeft haar een aantal zekerheden gegeven. Het geloof lijkt echter een voorwaarde te zijn om zich in het leven staande te houden. Hoewel de Raad uiteraard geen oordeel wenst uit te spreken over moeders geloofsovertuiging, kan er niet aan voorbij gegaan worden dat moeders aktieve betrokkenheid bij deze gemeenschap (de Jehovah's Getuigen, RS) konsekwenties (sic!) heeft voor de opvoeding van de kinderen. In deze sfeer zullen de kinderen bij moeder weinig ruimte te verwachten hebben om een eigen mening te ontwikkelen." (mijn cursivering, RS).
Mevrouw A oefent ernstige kritiek uit op het rapport. Nog los van enkele feitelijke onjuistheden stelt ze dat ze zich als Getuige gediscrimineerd voelt ten aanzien van de normatieve stellingname over een "gewone" vs. "Getuigen"-opvoeding. Opmerkelijk is ook de impliciete kanttekening die in het voorafgaande citaat wordt gemaakt jegens een existentieel axioma: het feit dat een religieuze overtuiging voor een groot gedeelte van de mensheid een sine qua non is om zich in het leven staande te houden, wordt in dit specifieke geval als enigszins dubieus geponeerd.
De Raad onderkent een aantal tekortkomingen in de verslaggeving en voert een aanvullend onderzoek uit. Geconcludeerd wordt dat men aan de hand van het beschikbare materiaal niet in staat is een gefundeerd en verantwoord advies te geven over de toewijzingskwestie. Dit ondanks de constatering dat:
[#2] "(...) hoewel moeder zich kan verplaatsen in de belevingswereld van de kinderen, is het de vraag of zij vanuit een eenduidig mens- en wereldbeeld de kinderen voldoende ruimte zal kunnen laten voor het vormen van een eigen mening en voor hun ontplooiing naar eigen aanleg".
De Raad geeft vervolgens een extern adviesbureau, te weten het Psychiatrisch Psychologisch Pedagogisch Adviesbureau Randstad (PPPAR) in Alphen aan den Rijn, de opdracht een specialistisch onderzoek in te stellen. De centrale vraagstelling richt zich op het welbevinden van de kinderen. De instelling adviseert de kinderen toe te wijzen aan de vader. Ik kom daar straks uitgebreider op terug en haal uit de conclusie een gedeelte aan dat van belang is voor de latere beschikking van de rechtbank:
[#3] "Het is de vraag of zij (de moeder) in de toekomst de kinderen voldoende ruimte kan laten zich te ontplooien naar hun eigen aard. Zowel de principiële als de relationele verankering van de kinderen binnen de groep van Jehova's Getuigen baart enige zorg, omdat - mochten zij zich gaan afzetten tegen dit geloof - gevaar aanwezig is dat zij in een (sociaal) vacuüm terecht komen". [mijn cursivering, RS]
Tevens constateert de onderzoekster van het PPPAR dat mevrouw A, die door alle perikelen zwaar is aangeslagen, tijdens het gesprek een onzekere indruk maakt. De man daarentegen komt evenwichtig over en is volgens het rapport "makkelijker in staat afstand van dingen te nemen (...) [zodat] hij in de toekomst waarschijnlijk beter dan de moeder in staat is de kinderen in moeilijke periodes te begeleiden". Uit het onderzoek blijkt verder dat de kinderen geen duidelijke voorkeur voor vader of moeder hebben. De Raad neemt de aanbevelingen over en adviseert de rechtbank dienovereenkomstig.
Volgens mevrouw A vertoont het rapport fundamentele tekortkomingen. Evenals in de eerste rapportage stoort ze zich aan de opmerkingen over haar religieuze affiniteit en de eventueel negatieve gevolgen daarvan voor de kinderen. Ook heeft ze bezwaar tegen de schets van haar onzekerheid. Daarom vraagt ze een second opinion van een psychiater en haar raadsman verzoekt mij om commentaar te geven op het religieuze aspect zoals dat in het rapport naar voren is gekomen.
In zijn bevindingen constateert de psychiater onder andere dat het rapport
"op verrassend slecht gefundeerde wijze concludeert dat de vader de meest aangewezen persoon zou zijn om de kinderen op te voeden. (...) Ik acht mevrouw in staat om de kinderen een genuanceerde opvoeding te geven met zeker de zo noodzakelijke affectieve toenadering."
Volgens de raadsman van mevrouw A geven de reacties van de psychiater en mijn commentaar op de PPPAR-evaluatie voldoende aanleiding om de rapportrice tijdens de rechtszitting daarmee te confronteren. Tot ontsteltenis van de raadsman en zijn cliënte is de samenstelster van het rapport tijdens de zitting echter niet aanwezig. Het blijkt dat de instelling niet bereid is een vertegenwoordiger naar de zitting te sturen. De rechtbank evenwel, is vooraf wél van haar afwezigheid op de hoogte gesteld en had de instelling daarom telefonisch nog twee vragen doen toekomen. In de schriftelijke beantwoording wordt o.a. citaat #3 herhaald.
De rechtbank oordeelt dat de kinderen aan de man moeten worden toegewezen. In de argumentatie zijn drie redenen benadrukt:
Aan de beschikking voegt de rechtbank echter toe:
"De rechtbank hecht er aan uitdrukkelijk naar voren te brengen dat zij de in het (volgt naam van pedagogisch adviesbureau, RS) rapport genoemde "nadelen" met betrekking tot de betrokkenheid van de kinderen bij de Jehovah's getuigen niet onderschrijft en dat deze geen rol hebben gespeeld bij de beslissing om de kinderen aan de man toe te vertrouwen."
Mevrouw A besluit tegen de uitspraak in hoger beroep te gaan. Ten aanzien van de toevertrouwing van de kinderen sluit de wet dit weliswaar uit (art 825d, lid 3, Rv), maar op grond van het feit dat ze de beschikking van de arrondissementsrechtbank niet als "fair trial" beschouwt, meent ze dit rechtsmiddel te kunnen gebruiken. Haar bezwaren in het appelrekest richten zich met name op het feit dat de confrontatie met de bevindingen van de rapportrice van de pedagogische evaluatie niet heeft kunnen plaatsvinden. Het hof verklaart mevrouw A niet ontvankelijk in haar verzoek. Men is van oordeel dat de arrondissementsrechtbank juist zeer grote zorgvuldigheid heeft betracht en er geen sprake is geweest van veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen. |

|
Discussie Het is echter de vraag of de rechtbank wel zo zorgvuldig is geweest, als ze beweert. Het advies van de pedagogische instelling was doorslaggevend voor de beschikking van de arrondissementsrechtbank. De peilers van de psychologische rapportage zijn de emotionele toestand waarin mevrouw A verkeert tegenover de stabiele indruk die de man maakt en de - tot twee keer toe aangehaalde - mogelijkheid dat de kinderen zich op latere leeftijd tegen het geloof zullen gaan afzetten en de eventueel daaruit voortvloeiende problemen. Wat het eerste betreft kan ik slechts verwijzen naar de second opinion van de psychiater. De redenering van de rechtbank ten aanzien van het tweede argument, het geloof, is verwarrend. Niet de betrokkenheid van mevrouw A bij de Jehovah's Getuigen speelt een rol, maar de eventuele gevolgen daarvan voor de kinderen. Immers, de mogelijkheid dat de kinderen als gevolg van het geloof later in problemen kunnen komen, in combinatie met de "ontplooiing naar eigen aard"- problematiek zijn zeer belangrijke redenen om ze niet aan de mevrouw A toe te vertrouwen. Nog los van deze redenering, is ook het gehanteerde argument dubieus. Het bestaat uit twee gekoppelde hypothesen die noch uit het onderzoek zijn voortgevloeid, noch zijn getoetst:
Wat de eerste uitspraak betreft: daar is uiteraard geen zinnig woord over te zeggen, behalve in het algemeen aan de hand van enige cijfers. Uit Engels onderzoek blijkt, dat ruim 63% van jongeren ouder dan 16 jaar die opgevoed zijn als Jehovah's Getuige, dit geloof ook trouw blijft. (Beckford 1975:194) Gebaseerd op een - overigens zeer beperkt - Amerikaans onderzoek bedraagt deze retention rate in de VS zelfs meer dan 90%. Brose 1982:141). Over cijfers voor Nederland beschik ik niet, behalve dan dat een steekproef van ruim 300 Getuigen aantoont dat 45% van hen het geloof via de ouders heeft meegekregen. De vraag is echter of de Engelse en Amerikaanse onderzoeken inmiddels niet én gedateerd zijn én of ze maatgevend zijn voor de situatie in Nederland. De laatste tijd bereiken mij met de regelmaat van de klok berichten dat een aanzienlijke hoeveelheid kinderen uit Jehovah's Getuigengezinnen zich in de puberteitsfase afzetten tegen het geloof van hun ouders. In hoeverre deze jeugdige rebellie qua omvang afwijkt van andere godsdienstige milieus, is onbekend.
Zetten ze zich tóch af, wat zijn dan de gevolgen? Een sociaal vacuüm? Waar de onderzoekster dit op baseert, blijft in de rapportage volstrekt duister. Eventuele bronnen, die aangeven dat kinderen uit gezinnen van Getuigen zich massaal bij RIAGGS's of soortgelijke instanties op het terrein van de geestelijke hulpverlening aanmelden, ontbreken. Mocht er al sprake zijn van grootschalige psychische problematiek onder deze categorie, dan zou dat zeker niet onopgemerkt blijven. Tevens is geen literatuur aangehaald die deze theorie ondersteunt en de resultaten van de diagnostische testbatterij geven niet aan dat de kinderen op wat voor wijze dan ook gedrag vertonen dat als toekomstig afvallig bestempeld moet worden. De uitspraak volgt niet uit een consistente analyse van het beschikbare materiaal, maar lijkt gebaseerd op de vaak gehoorde opvatting dat het lidmaatschap van dergelijke gesloten groeperingen participatie in de wijdere samenleving uitsluit. En mocht dit lidmaatschap worden beëindigd, dan is de ellende niet te overzien. Immers, het enige sociale netwerk van het ex-lid bestond uit geloofsgenoten, die de afvallige nu moeten mijden. Het slachtoffer gaat ten gronde aan zijn isolement.
Van tijd tot tijd worden we echter op vaak navrante wijze geconfronteerd met dergelijke ervaringen. Ex-Getuigen (of voormalige leden van vergelijkbare religieuze bewegingen) treden bijvoorbeeld via de media naar buiten en schilderen de beweging af als een hersenspoelende dictatoriale moloch die er de oorzaak van is dat ze een psychisch trauma hebben opgelopen. Maar hoeveel individuen treft dit lot? Enige cijfers verschaffen opheldering. In 1986 - dit jaartal kies ik willekeurig - registreerde het Wachttorengenootschap, de overkoepelende organisatie van de Jehovah's Getuigen, ruim 28,000 Nederlandse volgelingen. Dit cijfer bedroeg voor 1994 bijna 31,000, een groei dus van 3000 aanhangers. Hierbij dient men zich te realiseren dat slechts díe Getuigen worden geteld die zich actief hebben getoond in de van huis-tot-huis prediking. Papieren leden tellen niet mee. In de periode '87-'94 werden echter 7500 nieuwe Getuigen gedoopt, dus is de vraag: waar zijn die (7500-3000=)4500 gebleven? Die zijn gemarginaliseerd, want ze verkondigen niet of nauwelijks, of hebben het geloof afgezworen.Die zouden dan, als de theorie klopt, de kans lopen in een sociaal vacuüm terecht gekomen te zijn met alle psychische klachten van dien. Het lijkt me toe dat een groep van dergelijke omvang maatschappelijk niet onopgemerkt zou blijven. Vooralsnog ontbreken echter dergelijke signalen. De theorie is meer gebaseerd op enkele individuele gevallen en niet op een structureel kenmerk van religieuze bewegingen. Afgezien van dit kwantitatieve aspect, berust de "sociale vacuüm theorie" op de impliciete veronderstelling, als zouden ex-aanhangers van gesloten religieuze groepen het slachtoffer zijn geweest van gedragsconditionering - hersenspoelen - en als gevolg daarvan ernstige psychische trauma's hebben opgelopen. Om die reden worden de laatste jaren m.n. in de Verenigde Staten talrijke processen gevoerd, waarin ex-leden smartengeld eisen van hun voormalige religieuze leiders.
De inmiddels omvangrijke sociaal-wetenschappelijke literatuur op het terrein van sekte-uittreding geeft echter aan, dat een dergelijk eenduidig verband niet of nauwelijks is vast te stellen. Daarmee wil ik het fenomeen niet bagatelliseren. Via mijn onderzoek ken ik enkele gevallen waarin voormalige Getuigen mede als gevolg van hun geloofsovertuiging in ernstige psychische problemen zijn gekomen. Ik heb echter de indruk dat het hier met name die Getuigen betreft die zijn opgegroeid in een zeer fundamentalistische omgeving of die een dermate grote inzet voor het geloof tentoonspreidden, dat hun dagelijks leven daardoor volledig beheerst werd. Hoewel er onder de Getuigen geen sprake is van een (openlijke) richtingenstrijd, is er onder de aanhang toch een verschil te bespeuren in orthodoxie. Ik ken talloze verhalen van Getuigen die op jonge leeftijd niet met andersdenkenden mochten omgaan, gedwongen waren in barre weersomstandigheden met hun ouders te evangeliseren, niets anders onder ogen kregen dan de literatuur van het Wachttorengenootschap en voor wie de buitenwereld werd afgeschilderd als het ultieme Kwaad. Het leven stond voor het belangrijkste deel in dienst van het prediken. Of zoals de Getuigen onderling deze categorie benoemen: de fanatiekelingen. Anderen daarentegen zijn in een meer liberaal klimaat opgevoed, een omgeving waarin de buitenwereld veel minder werd beschouwd als een poel van verderf, waar ook wel 's wat anders werd gelezen dan De Wachttoren, waar de eigen verantwoordelijkheid werd benadrukt en waar niet alle vrije tijd werd besteed aan het evangeliseren. Het "eenduidige mens- en wereldbeeld" waar de Raad over spreekt (zie citaat #2) staat dus strikt doctrinair overeind, maar is in de persoonlijke beleving van veel Getuigen aan inflatie onderhevig. Tegelijkertijd heeft zich een verandering in de identiteit van de beweging voorgedaan. Het agressieve karakter van de prediking en de rigide antiwereldse houding die tot ver in de jaren '60 het gezicht van het Genootschap bepaalden, zijn geleidelijk verminderd. Opdringerig predikingsgedrag heeft averechtse effecten, zo wordt de Getuigen door het leiderschap voorgehouden. De provocerende retoriek in de lectuur, die het met name had voorzien op gevestigde instituties als kerk en staat, is langzamerhand vervangen door een meer coulante aanpak. De militante identiteit is geëvolueerd in een streven naar respectabiliteit.
Uit het gesprek dat ik met mevrouw A voerde bleek duidelijk dat ze onder de liberale categorie was te rangschikken. Ze dwong haar kinderen niet om te evangeliseren, oefende geen censuur uit op wat ze lazen en had geen enkel bezwaar tegen contacten met andersdenkende leeftijdgenoten. Het is daarom niet realistisch de Getuigen af te schilderen als een homogene "fanatieke geloofsgroepering" - deze weinig waardevrije term hanteert de PPPAR-onderzoekster in haar beschrijving van de beweging - om uit deze kwalificatie vervolgens ongefundeerde toekomstverwachtingen te voorspellen. Een mogelijk argument voor een eventuele negatieve opvoedingsbeïnvloeding als gevolg van de specifieke religieuze doctrines van de Jehovah's Getuigen zou men de onthouding van verjaardagen, Christelijke feestdagen zoals Kerstmis, en de Sinterklaasviering kunnen noemen. Nergens uit het rapport bleek echter dat het gemis van deze rituele activiteiten door beide kinderen als problematisch wordt ervaren. In de praktijk van de levenswijze van de Jehovah's Getuigen blijkt dat men duidelijk anticipeert op deze eventuele conformeringsdruk van de omringende maatschappelijke omgeving. Veelvuldig wordt in interne kring een scala van sociale activiteiten ontplooid, dat tevens dient als compensatie voor het kostenaspect dat een non-conformistische overtuiging onontkoombaar met zich meebrengt. Enigszins vergelijkbaar is de Ramadan-periode van de Islamitische minderheden in ons land. Voor zover mij bekend, zijn er weinig protesten of jammerklachten van Nederlandse zijde jegens hongerige Mohammedaanse scholieren. Ook dit "gemis" wordt in interne kring ruimschoots gecompenseerd. Rapportages dat deze vorm van afwijkend sociaal gedrag een schadelijke invloed hebben op kinderen uit deze etnische milieus zijn mij niet bekend.
Van ernstiger aard is de doctrine die de Getuigen verbiedt bloedtransfusies te accepteren. Met name gaat het dan om gevallen waar bij minderjarigen wordt vastgesteld dat een transfusie medisch gezien noodzakelijk is. Indien de ouders de behandeling weigeren, is het in Nederland min of meer routine dat ze tijdelijk uit de ouderlijke macht worden ontzet. Sinds het geconstateerde verband tussen AIDS en bloedtransfusie - het zal weinigen verbazen dat de lectuur van de Getuigen daar aanvankelijk gretig op heeft ingespeeld - is het omstreden karakter van de leerstelling verminderd. Naast een mogelijke infectie met het HIV-virus - een kans die in Nederland overigens te verwaarlozen is - heeft medisch onderzoek aangetoond dat bloedtransfusies kunnen resulteren in ettelijke schadelijke bijwerkingen. (Singelenberg 1990, 1991) Hoewel er nog geen 100% veilig alternatief is voor een transfusie, is de medische wereld voorzichtiger geworden met het toepassen ervan. Het gebruik van en onderzoek naar bloedvervangende middelen neemt toe, mede als gevolg van de "proefkonijn"-functie die de Getuigen decennia lang hebben vervuld.
Interessant is de beschouwing die in 1991 in het Amerikaanse tijdschrift Liberty verscheen. (Tyner 1991:8-11) De zaak is identiek aan die hierboven en speelde zich enkele jaren geleden af in de VS: de vrouw is Jehovah's Getuige, de man is tegenstander en de kinderen zijn aan de laatste toegewezen op grond van de geloofsovertuigingen van zijn voormalige echtgenote. De auteur vraagt zich af of hier niet is ingedruist tegen het grondwettelijk vastgelegde beginsel van godsdienstvrijheid. De argumentatie van een getuige-deskundige richtte zich op de minderheidspositie van Jehovah's Getuigen in de Amerikaanse samenleving. Ik citeer uit het verhoor van de psycholoog:
"V: 'You think it is unhealthy for a child to be a Jehovah's Witness in this culture?' A: 'I say it is unhealthy for this child to be raised as a Jehovah's Witness' V: 'Because she would not fit in the mainstream of society?' A: 'Yes'"
De vrouw gaat in beroep tot het Hooggerechtshof. De zaak wordt niet ontvankelijk verklaard. Het blijkt dat Amerikaanse rechtbanken twee richtlijnen hanteren ten aanzien van de rol die godsdienst speelt in een ouderlijk conflict over de toewijzing van kinderen. Volgens de eerste richtlijn zijn religieuze overtuigingen van de ouders even belangrijk voor een goede emotionele ontwikkeling van een kind als financiële draagkracht en huisvestingsmogelijkheden. De rol van de godsdienst wordt dus in de toewijzingsvraag meegewogen. De tweede richtlijn gaat ervan uit dat religieuze overtuigingen alleen dan bij de zaak mogen worden betrokken indien kan worden aangetoond dat deze schadelijk zijn voor het welzijn van het kind. Volgens de auteur moet het Hooggerechtshof de knoop doorhakken. En het precedent is er al: het element van etnische afkomst mag in toewijzingskwesties geen rol spelen. Waarom trekt het Hooggerechtshof deze overweging niet door naar religieuze minderheden, vraagt de schrijver zich af. Eén van de mogelijke oorzaken is volgens de auteur het vooroordeel jegens Jehovah's Getuigen. Zo blijkt in de annotatie Religion as a Factor in Child Custody and Visitation Cases van de American Law Reports een apart gedeelte gewijd te zijn aan Jehovah's Getuigen, de enige groep die als zodanig daarin wordt behandeld. Tenslotte stelt Tyner een elementair probleem aan de orde: vaak neemt de samenleving degenen niet serieus die hun godsdienst serieus nemen.
In Engeland deed zich in 1980 echter het omgekeerde voor. In eerste instantie was het kind aan de niet-Getuige man toegewezen, maar een hogere rechtbank oordeelde anders. Juist omdat het in dit geval gaat om een controversiële groepering, is er een groot risico om de gevaren voor het welzijn van de kinderen te overdrijven, aldus de overweging van de rechtbank. Ook hier betrof het een Getuige-vrouw, die zeer gematigd was in haar religieuze opstelling. Het kind werd niet gedwongen tot de huis-aan-huis prediking en hij mocht meedoen aan de schoolactiviteiten. Ja, de vrouw was zelfs zo vrijzinnig dat ze toestond dat haar zoon zijn verjaardag vierde, hetgeen haar ongetwijfeld in problemen zal hebben gebracht met haar medegelovigen. Zij kreeg het kind toegewezen. (The Times, 19 juni 1980).
Terugkerend naar de Nederlandse zaak: een "gewone" opvoeding, zo noemde de eerste rapportrice van de Raad voor de Kinderbescherming de socialisatie van de kinderen alvorens moeder toetrad tot de Getuigen. (zie citaat #1) Ook hier is de deskundige van mening dat de wijdere maatschappelijke norm kennelijk prevaleert boven die van de minderheid. Weliswaar heeft de arrondissementsrechtbank het geloof van de vrouw niet expliciet betrokken in de overwegingen, maar de vraag is of er impliciet geen raaklijnen zijn te construeren met het waardenstelsel van deze minderheid vs. dat van de omringende meerderheid. En mocht het begrip minderheid an sich geen rol hebben gespeeld in de beslissing, dan heeft de rechtbank zich in ieder geval laten leiden door adviezen die zijn gebaseerd op een maatschappelijke stereotype. Op haar beurt is dat gefundeerd op een inmiddels verouderd beeld van de beweging, een orthodox segment ervan of verklaringen van ex-aanhangers, die uiterst zorgvuldig dienen te worden beoordeeld. Overigens, ter nuancering van Tyner's opmerking over het "serieus nemen van de godsdienst": als dat betekent dat kinderen van Getuigen niet mogen omgaan met andersdenkenden, aan de haren worden meegesleept naar de godsdienstige activiteiten - zo bleek uit de in de Verenigde Staten veelvuldig geciteerde Estes vs Estes zaak, dat het 6-jarig zoontje door zijn moeder werd gedwongen haar te vergezellen in de van huis-tot-huis evangelisering in een buitentemperatuur van -23 graden -, als hen op godsdienstige gronden wordt voorgehouden dat omgang met de niet-Getuige verboden is of dat onomwonden kan worden aangetoond dat ze schade ondervinden van het geloof, dan heb ik weinig clementie voor de Getuige-ouder. Enkele jaren geleden vernam ik tijdens een congres van een Amerikaanse collega, dat tijdens een rechtszitting naar voren kwam dat een kind een duidelijk angstvisioen had jegens de apocalyptische onheilsverwachting, die de wereld volgens de doctrines van de groepering binnen afzienbare tijd zal treffen. Maar dan moet aan deze constateringen deugdelijk onderzoek ten grondslag liggen. En dat ontbrak in de gepresenteerde casus.
Voor zover ik dat heb kunnen achterhalen is de zaak - in tegenstelling tot de Verenigde Staten - in Nederland uniek, ondanks het feit dat er talrijke Jehovah's Getuigen zijn van wie de, meestal mannelijke, partner als "ongelovig" te boek staat. Gelet op het feit dat de aanhang de laatste jaren weliswaar niet spectaculair, maar toch gestadig toeneemt, is het de vraag of het bij deze zaak zal blijven.
Met dank aan Frank Bovenkerk, Willem Pompe Instituut, Universiteit Utrecht. Een uitgebreide Engelstalige versie, aangevuld met materiaal uit Duitsland, is hier toegankelijk.
Geraadpleegde literatuur Beckford, J.A. (1975) The Trumpet of Prophecy. A Sociological Study of Jehovah's Witnesses. Oxford, Blackwell. Brose, A.J. (1982) Jehovah's Witnesses: Recruitment and Enculturation in a Millennial Sect. Ph.D. diss, Ann Arbor MI, Univ. Microfilms Int. Singelenberg, R. (1990) The Blood Transfusion Taboo of Jehovah's Witnesses: Origin, Development and Function of a Controversial Doctrine, in Social Science and Medicine 31(4) pp. 515-523 (Ook via internet) Singelenberg, R. (1991) Vreemd Bloed is Zondig Bloed: Jehovah's Getuigen en Bloedtransfusie, in Religieuze Bewegingen in Nederland, nr. 22, pp. 125-158 (Op deze site) Tyner, M.A. (1991) "Who Gets The Kid", in Liberty, May/June, pp 8-11
(Oorspronkelijk in Religieuze Bewegingen in Nederland, nr. 31, 1995. Een verkorte versie verscheen in het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, september 1992)
|